Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de opinie-sectie. Zoals de titel aangeeft, wordt er vaak in gemopperd over de huidige stand der letteren, of wordt er ongevraagd advies verstrekt dat je normaal associeert met humeurige oude mannen. Er komen ook onderwerpen aan bod uit de actualiteit.

De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Hier vind je dan weer een netjes overzicht van opiniestukken die verschenen zijn in o.a. Knack, De Wereld Morgen, De Redactie, Apache en Joop.nl.

dinsdag 20 maart 2018

Anatomisch functionele genitaliën

Binnen twee maand word ik 35 en daar zie ik misnoegd tegenop. Niet dat de clichés van de lederen jas, sportkar en maîtresse lonken (een lederen jas heb ik al jaren, auto's zijn geen verlengstuk van mijn peniele ego en aangezien ik geen relatie heb kan ik ook geen maîtresse hebben) of dat ik me beklaag dat ik voor dit of dat niet meer tijd heb gemaakt. Nee, het is simpelweg de vaststelling dat er weinig beter zal worden de komende jaren. Ik voel het nu al. Overtollige kilo's die taaier blijven plakken. Wonden die trager genezen en vaker littekens achterlaten. Een groeiende desinteresse in feesten 's nachts. Blij zijn met mijn nieuwe stoelen voor de eettafel. Mensen die nooit echt jong zijn geweest noemen dat met een ernstig gezicht tekenen van volwassenheid.

Noem het wat je wil. Alleszins ben ik nog niet fantasie- en vreugdeloos geworden. En er zijn ook de positieve kanten die zich ontvouwen aan mijn nakende middenpositie. Ik ben blij dat ik kan zeggen dat ik veel principes tijdelijk heb durven verloochenen om er altijd bij terug te keren. Ik ben blij dat ik elke keer heb geprobeerd om me te geven in de liefde, ondanks de kwetsuren en de kneuzingen. Dat ik nog altijd het evenwicht probeer te houden tussen laf cynisme en onnozele naïviteit. Dat ik nieuwsgierig ben gebleven, dat ook. Altijd hongerig naar meer kennis en meer inzicht. Naar het schijnt stopt dat niet met ouder worden en dat is prima. Ik kan me volstrekt niet inleven in mensen die op een dag in hun zetel zitten en denken: "nee, ik weet genoeg."

Een nadeel aan dat streven is een zekere vorm van eenzaamheid. Dat is eigen aan mentale bergen beklimmen. Sommige mensen maken daar hun visitekaartje van. "Kijk naar mij en de vlag die ik hier geplant heb. Laat mij u gidsen naar hogere oorden, sterveling." Terwijl ik gewoon weer verder wil, een nieuw boek wil ontdekken, nieuwe gedachten wil aanboren. En met "nieuw" bedoel ik niet één of andere rechtse beunhaas of Johnny-come-lately "verfrissend" noemen omdat hij een macedoine heeft gemaakt van reeds heersende delusies. Tevens ook nog levend en wel: die goede oude woede. Al is die er gedoseerder op geworden, een soort fijn vermalen koffiepoeder die de tank pruttelend op gang houdt.

Een ander voordeel is dat je als dertiger serieus genomen wordt, hoewel ik al grotendeels de dingen dacht die ik nu denk toen ik nog geen 30 was. Maar dat is niet zozeer een voordeel als privilege in actie. Nu ik het toch over privileges heb, is een ander niet dat ik mooier ben geworden (heus niet) maar dat veel andere leeftijdsgenoten sneller aftakelen, hun haar verliezen, of simpelweg door de stress verschrompelen van het combineren van een job en een gezin. Ik heb geen kinderen en er hoeven er ook geen te zijn (al zou ik dat niet erg vinden). Ik kan 's avonds anderhalf uur in bad liggen met een boek en een asbak. Dat zou een aanleiding kunnen zijn om mezelf mijn levieten te lezen dat het stoppen met roken nog altijd niet gelukt is, of dat ik graag vlees eet, maar een ander deel van me zegt tegen dat eerste deel: rot toch op. Ik doe mijn best om op mijn manier de korte tijd dat ik hier ben, het leven aangenamer te maken voor anderen.

En misschien is dat altijd wel het hoofddoel geweest. Als kleine jongen entertainde ik ook al graag. Ik maakte graag mensen blij. Ik heb daar al heel m'n leven mijn schik in gehad - op school, aan de universiteit en later op diverse jobs. Net zo goed heb ik vaak 's avonds alleen gewandeld, of was ik doelbewust op drukke feestjes alleen om anoniem in de massa op te gaan, als onderdeel van een haast toevallige samenzwering. Er is elk jaar een iets selectiever willen en iets minder moeten. Of: het moeten weegt minder. Toen ik 25 was, vond ik m'n belastingbrief invullen een klus om van te balen. Nu gebeurt het tussen de afwas en de scheerbeurt. Ook hoef ik niet langer de redder te zijn des vaderlands (en nog veel vaker des partners) omdat ik ingezien heb dat ik ook door kloven en dalen ga waar niemand me uit moet komen halen. Dat ik zelf geen volmaakt persoon zal worden door iemand met alle macht uit het drijfzand te halen.

Nog enkele lessen, los uit de pols: intelligentie, schoonheid en complexiteit zijn niets zonder een rand van pels. Ik heb dappere, slimme en attente mensen gekend die emotioneel enkel uit hoeken en lijnen leken te bestaan. Of gecultiveerde mensen die emotie inruilden voor sentiment en snoeppapierspreuken. Daar komt bij dat ik me meer laat leiden door intuïtie dan vroeger. Die rotte intuïtie die het zo vaak beter weet, niet op de indigo- en ashrammanieren ergens in een listicle geschreven door een getergde jobstudent, maar wat zich in fijn vertakte mazen en voelsprieten heeft opgebouwd door ervaring en geheugen. Een spider sense, zeg maar, zonder dat ik er witte kwakken mee kan schieten of aan gebouwen hang te bengelen (mijn hoogtevrees is nog altijd even, nu ja, hoog als toen ik jong was, overigens).

Er zijn ook de wonden die blijven en nooit volledig zullen dichtgroeien. De perplexiteit waar ik mee geslagen werd die keren dat vrouwen me zeiden dat een relatie met me onmogelijk was omdat ik "te goed" ben (wat uiteraard bullshit is). En ze het 100% meenden. Of de worsteling met een verleden waarin gepest worden een te nadrukkelijke stempel heeft gezet en ik het nog altijd zo moeilijk vind om erover te praten. Of simpelweg het besef anders te zijn. Niet beter, niet slechter. Gewoon dat ik, gelukkig samen met enkele anderen, door een gang wandel terwijl een heel groot deel van de samenleving door een andere gang wandelt en we gescheiden worden door een onbreekbare muur van hard perspex. Het kan me alleen niet veel meer schelen. Ik ben al lang blij als ik met rust gelaten word. Ook dat is een #kleingelukske van bijna 35 zijn. Dat, en anatomisch functionele genitaliën.

zondag 4 maart 2018

Positiviteit, ja. Schoonheid, nee.

Elke maatschappij heeft haar culturele opvattingen over wat mooi is, plus enkele polen die uit antropologisch onderzoek tamelijk universeel blijken. Mensen houden in het algemeen van symmetrische, gave gezichten, bijvoorbeeld. Er valt eveneens niet aan te ontsnappen dat onze beeldcultuur van zowel vrouwen als mannen - maar vooral en veel zwaarder vrouwen - een soort Leitbild schept waaraan we dienen te beantwoorden. En dat dat beeld onrealistisch is, weet iedereen ergens wel. Dus ik steun campagnes en bewegingen die ijveren voor een grotere diversiteit in lichaamstypes in reclame, film, op televisie of op het internet.

Onze beeldcultuur kan enorme schade aanrichten bij mensen met een wankel zelfbeeld - anorexia, orthorexia, sporten tot al de rest van het leven moet wijken, te veel onder de zonnebank gaan, haarimplantaten, borstvergrotingen, en ga zo maar verder. In sommige gevallen zullen sommige acties een verhoogd zelfbeeld opleveren, als de persoon die ze onderneemt tevredener wordt met zichzelf. In veel andere gevallen levert het enkel meer miserie op, met als uitkomst soms wijzigingen die niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden.

Niet iedereen wint


Toch heb ik bedenkingen bij de recente hashtag #elklijfeenschoonlijf. Ik snap de intentie: er is meer dan alleen superslanke modellenlichamen die mogen gezien worden. Maar ik ben het niet eens met de letterlijke inhoud. Die is voor mij te inhoudsloos. Een doorslagje van "everybody's a winner". Want als iedereen en winnaar is, is niemand het nog. Mensen klasseren spontaan anderen op uiterlijk, en dit levert vaak uiteenlopende resultaten op. Sommige mannen houden meer van vrouwen met brede heupen en grote borsten, andere mannen verkiezen een slank en bijna jongensachtig lichaam. Sommige vrouwen houden van mannen met baarden en diepe stemmen, andere vrouwen hebben het voor atletische, fijn gebouwde mannen. En dan heb ik enkel nog maar heteroseksuele voorkeuren aangeraakt.

Het probleem met #elklijfeenschoonlijf is dat het paradoxaal genoeg anderen zegt wat mooi of niet mooi is, terwijl dat juist de ultieme individuele smaak is. Is onze smaak vergiftigd door de ideaalbeelden die we ingelepeld hebben gekregen? Natuurlijk! Ben ik tegen bodyshaming? Eveneens, natuurlijk. Maar niemand moet me komen zeggen wat ik mooi en niet mooi mag vinden. Wat deze beweging misschien kan gebruiken, is een wijsheid uit het kink- en bdsm-milieu: "My kink is not your kink, and that's ok."

Geboorte en groei

Ik denk dat het vooral belangrijk is dat we niet direct klaarstaan met ons oordeel over iemands uiterlijk als die persoon daar niet om vraagt. Misschien kan pakweg een man er niets aan doen dat hij 1m70 is en dat sommige vrouwen hem te klein vinden, maar dat betekent nog niet dat de leukigheidspolitie moet neerdalen over die vrouwen. Want smaken in aantrekking zijn bijna even ondoorgrondelijk en wispelturig in veranderingen als het lichaamstype van een persoon. Bijvoorbeeld: vrouwen met zwart haar hebben een streepje voor bij mij, en ik kan bij God niet zeggen waarom dat zo is. Het is haast even onveranderlijk als een man die geboren is met een slank en pezig lichaam.

En daar komt nog een andere component bovenop. Sommige uiterlijkheden kunnen we niet veranderen - bijvoorbeeld sommige mannen kunnen nauwelijks een baard kweken, en sommige vrouwen hebben erg dun haar. En hoewel ik geloof dat er veel mensen zijn die geboren worden met een aanleg om pakweg erg mager of dik te zijn en dat geen van beide groepen een stigma hoeft te dragen, heb ik toch bedenkingen bij 'fat acceptance'-voorstanders die willen dat ook dikke mensen seksueel aantrekkelijk kunnen gevonden worden terwijl ze lijden aan allerlei kwalen die komen door een overmatige consumptie van fast food en suikers. Een pathologische relatie met eten vieren als sexy geeft een erg gevaarlijk signaal, net als het vieren van zo dun zijn als een grasspriet.

Nature en nurture

Het duel tussen mensen die meer geloven in nature, zij die meer geloven in nurture en de groep daar ergens tussenin (dus eigenlijk een driekamp) zal wellicht tot in de oneindigheid blijven doorgaan. Ik zit in het nogal zoutloze 'tussenin'-kamp. Enerzijds ben ik pro bewustwording over gezonder leven om een betere levenskwaliteit te bereiken, en besef ik heel goed dat bepaalde persoonlijke manco's (roker, vleeseter) op mijn eigen conto te schrijven zijn. Anderzijds mogen we het 'moeten' van een erg nauw schoonheidsideaal niet vervangen door platitudes dat iedereen mooi is, aantrekkelijk en leuk.

In een discussie zei ik het ooit zo: ik geloof dat alle appels even perfecte appels zijn in hun appel-zijn. Sommige appels zijn zoet, sommige sappig, sommige zurig, sommige melig, sommige klein, sommige groot. Ze zijn allemaal even hard een appel. Maar als ik liever een zure, kleinere appel eet en de zoetsappige links laat liggen, dan is dat eveneens ok. Ik vind niet elk lijf een schoon lijf, maar heb er geen problemen mee dat de eigenaars van die lijven opkomen voor hun recht om ook gezien te worden.

zondag 4 februari 2018

18 jaar lezen

‘18 jaar lezen’ zou voor sommige mensen even erg klinken als 18 jaar celstraf, maar dat zijn geen mensen die makkelijk vrienden zouden kunnen worden met mij. Het is ook niet dat ik nog ‘maar’ 18 jaar lees. Van zodra ik kon lezen, las ik. Eerst strips, dan boeken. Mijn allereerste ‘echte’ boek was ‘Koning van Katoren’ van Jan Terlouw.

Tegen m’n twaalfde had ik al heel wat achter de kiezen, vooral SF en een scheut fantasy. Ik hield van zowel harde als zachte SF. Met jeugdboeken had ik niks. Als puber met problemen is lezen over pubers met nog veel ergere problemen tamelijk deprimerend. Enfin, voor wie de histories wil overslaan en naar de data wil, die skipt maar de volgende paragrafen.

Een geschiedenis van het duistere

Tegen dat het tijd werd om naar de universiteit te gaan, had ik zowat elk SF-boek van de lokale bibliotheek gelezen. Onderhand was dat ook aangevuld geraakt met de occasionele ‘gewone’ roman, dan weer een spionagethriller en hier en daar een horrorverhaal.

Mijn afkapperiode voor mijn recensieblog zit ongeveer op dat moment. Nog verder terug zijn ofwel de herinneringen veel te vaag, ofwel had ik toen nog niet het oordeelkundig vermogen om echt een mening te vormen over een boek in alle aspecten. Niet dat ik daar vroeger verlegen in was. In het tweede middelbaar brandde ik een boek van Thea Beckman af omdat ik het saai en hysterisch vond.

Qua echte jeugdboeken had ik maar twee helden: Roald Dahl en Jan Terlouw. Als ik denk aan discussies over wat jongeren en dan vooral kinderen al dan niet zouden mogen lezen, en men een Pascalleke7 doet als men verwijst naar sommige duistere inhoud, dan denk ik aan Dahl. Zelfs sprookjes zijn donker, niet zelden met gitzwarte thema’s of gruwelbeelden. Maar kinderen griezelen net zo graag als volwassenen. Ik heb nog nooit een trauma of een nachtmerrie aan een boek overgehouden, buiten twee dagen misselijkheid na ‘American Psycho’, maar toen was ik al 25.

Waarom lezen, eigenlijk?

Een boek kan je wegleggen en oppikken wanneer je wil. Je kan het overal meenemen (de meeste boeken toch). Boeken lezen is bovendien een vrij goedkope hobby, dankzij bibliotheken, publiek domein en tweedehandswinkels. Boeken zijn geestverruimend. Ze brengen andere persoonlijkheden, opvattingen, plekken en verbeeldingen binnen.

Of, zoals een aangetrouwde oom die een verwoed lezer was, me ooit zei: een goed boek doet een nieuwe wereld opengaan. Je kan dat natuurlijk ook zeggen van film. Maar films kan je niet overal meenemen. Het is ook een (nog) passiever medium. Ik ben geen bibliofiel, maar ik hou wel van de ervaring van een boek in handen te hebben. Ook al heb ik een e-reader.

Nadat ik afstudeerde ben ik boeken even beu geweest. Vier jaar lijstjes met Pflichtlektüre was toch van het goede wat te veel geweest. In 2007 pikte ik de draad weer op en in 2008 stampte ik met ‘Qanturus leest’ mijn tweede blog uit de grond, die telkens kort en bondig mijn leeservaringen probeerde weer te geven. Als ik het overdeed, zou ik allicht nu op GoodReads zitten.

30 per jaar

In 2011 was één van m’n voornemens om vanaf dan 30 boeken per jaar te lezen. In 2014, 2016 en 2017 lukt me dat niet. Maar daarvan wakker liggen doe ik niet. Die 30 boeken zijn geen competitie, maar een doelstelling.

Tijdens m’n studies was ik ook meer een veellezer geworden: non-fictie, romans, poëzie, drama, essays, het ging er allemaal in. Voor een deel komt dit door m’n erg brede interesseveld, voor een deel ook omdat ik als schrijver wil groeien en dat daardoor contact met zo veel mogelijk genres en tekstensoorten erg nuttig is.

En dus nu, na 18 jaar recenseren (waarvan 7 jaar retroactief) is het mooi om, nu mijn recensiewerk de volwassenheid heeft bereikt, even in de achteruitkijkspiegel te kijken. Wat zijn mijn leestrends, mijn dada’s, mijn no-go-zones? Kan ik uit de data trends en verrassingen puren?

Auteurs en werken

In mijn 18 jaar van recensies heb ik 307 werken gelezen van 235 verschillende auteurs. Een gênante vaststelling is dat mijn boekenrek hier 83% mannen bevat en slechts 12% vrouwen (het restcijfer zijn collaboraties, onbekenden of niet-genderbinaire auteurs). Wel is het zo dat het aandeel van de dames met de jaren stijgt. Tot aan 2010 kwam dit met moeite aan 8%. Er is een langzame inhaalbeweging bezig. En ‘meer vrouwen lezen’ is voor de komende jaren sowieso een doel.

Qua type werk gaat de voorkeur in stevige mate uit naar de klassieke roman, met 62%. Ik heb dat niet verder gesegmenteerd in genres omdat dat een eindeloze oefening is. Is pakweg ‘Soldaat van Oranje’ satire of SF en als het allebei is, hoe kom ik dan tot een juiste optelsom? Hoort magisch realisme van Marquez, Daisne en Lampo thuis onder fantasy? Ik laat de discussie graag over aan anderen.

Non-fictie is een verre tweede in mijn bibliotheek, met 15%. Kortverhalen en poëzie nemen elk 9% voor hun rekening, en de rest is eerder van marginale aard. ‘Popcultuur’ omvat niet-standaardboeken zoals ‘Why grizzly bears should wear underpants’ van Matthew Inman, of comics.


België boven
Een kwart van auteurs die ik las, is Belgisch. Dat is geen mirakel. Of misschien wel – ik ken mensen die haast nooit Belgische auteurs lezen, en ik begrijp echt niet waarom. De Belgische – allà, de Vlaamse – literatuur heeft absoluut meer te bieden dan muffe schoollectuur, boeren en marginalen. Maar je moet ze willen zoeken. Als ik er de Nederlandse auteurs nog bij gooi, komen Vlaanderen en Nederland samen aan een aandeel van 34%.

De Verenigde Staten maken 20% uit van mijn auteurs en het Verenigd Koninkrijk 13%. Samen dus net iets minder dan de origineel Nederlandstalige werken (tot mijn schaamte staat er geen Franstalige Belg in). Rusland en Duitsland hebben elk 6% van het auteursaandeel in handen. Die Russen zijn een vrij recente evolutie – het is een literatuur die me duidelijk wel ligt. De Fransen kunnen bogen op 4%.

Een onverwachte gast is Oostenrijk, met 3%. Canada, China en Italië vallen elk net niet in de restgroep. Die restgroep toont wel een grote diversiteit: Israël, Maleisië, India, Nieuw-Zeeland en Algerije eisen hier elk plekjes op, maar het toont ook de lacunes aan.

De zwarte gaten
Opvallende afwezigen in mijn literaire bestiarium zijn Spanjaarden en Scandinaviërs (die zitten in het rest-segment). Over dat eerste kan ik duidelijk zijn: ik heb eigenlijk een zeer lage interesse in Spaanse cultuur. Ik vind het geen mooie taal, dat ook. De afwezigheid van Scandinaviërs is dan weer vreemder, aangezien ik die culturen beter ken en meer apprecieer.

Niet raar, maar wel pijnlijk duidelijk, is de afwezigheid van auteurs uit Afrika – ik reken gemakshalve Algerije eerder tot het Midden-Oosten qua cultuur, aangezien Noord-Afrika weinig lijkt op het Afrika bezuiden van de Sahara.

Het één en ander ligt eraan dat Afrikaanse schrijvers hier nauwelijks gepromoot worden en dus moeilijker zijn om zomaar tegen te komen in de boekhandel. En als dat al zo is, kom je vaak uit bij matige olijfboomliteratuur die op de leest geschoeid is van een publiek dat meer wil genieten van exotica dan echte literatuur. Dus, ambitie voor 2018: auteurs uit dat enorme continent leren kennen.

De taalstrijd
Taal en cultuur hangen uiteraard nauw samen. 72% van alle werken heb ik gelezen in de originele taal waarin ze werden geschreven. Aangezien ik ‘maar’ vier talen vlot kan lezen, vallen hieronder alle Nederlandstalige werken, de meeste Engelstalige, de meeste Duitse en enkele Franse. Opvallend is dat de taal waaruit ik het meest vertaalde werken las, Engels is. Dat was buiten bij ‘Ulysses’ van James Joyce niet voor het leescomfort, maar omdat de vertaling nu eenmaal voorhanden was.

Onder de ‘rest’-talen waaruit vertaald werd, zitten onder meer het Spaans en het Japans met elk 3 werken. Hebreeuws heeft er 2 en zelfs het IJslands heeft er eentje.

De taal van de werken zelf geeft een beeld dat vrij goed overeenstemt met hoe de landen de koek verdelen. 53% las ik in het Nederlands, 39% in het Engels. Ik had gedacht dat het cijfer voor Engels hoger zou liggen, maar blijkbaar was dat een valse herinnering. Duits is mooi derde met 6%. Frans had nog een behoorlijk aandeel in de periode 2000-2003 maar is sindsdien zo goed als helemaal weggezakt.

Oud en jong
Het is wellicht voor de hand liggend dat de jaren 2010 en 2000 het best vertegenwoordigd zijn in de werken die ik heb gelezen. Samen vormen ze de helft van de titels. Daarna gaat het in dalende lijn, met opvallende dips in de jaren ’40 en de jaren ’10 van de 20ste eeuw. Werd er toen door de Wereldoorlogen effectief minder literatuur uitgegeven, of liggen die decennia me gewoon niet zo?

Qua auteurs zelf weet je dat met 235 auteurs groep die niet significant uitsteekt boven de rest, heel groot zal zijn. 79%. Wat wel opvalt is dat de eerste drie auteurs die er wel bovenuit steken, alle drie vrouwen zijn: Julian May, J.K. Rowling en Margaret Atwood. Fantasy- en SF-schrijvers doen hier natuurlijk ook hun voordeel omdat ze vaak hele reeksen pennen. Dan Simmons, George R.R. Martin en J.R.R. Tolkien staan hier broederlijk naast elkaar.

De laatste drie auteurs die boven het maaiveld komen zijn Boon, Brouwers en David Mitchell (niet de komiek, maar de schrijver). Ik ben een erg grote fan van Mitchell en van Brouwers. Boon lijkt er wat toevallig tussen gekomen en duikt op met grote tussenpozen. Auteurs waar ik 3 of minder titels van las, hebben geen naamsvermelding gehaald.



Conclusies en doelen
Lezen is geen race of geen wedstrijd in ijdelheid voor mij, al zullen sommigen me een pretentieuze lul vinden omdat ik ‘Ulysses’ goed vond of net een contraire idioot omdat ik ‘The Satanic Verses’ een teleurstellende potpourri vond. Maar voor de lol heb ik toch even gekeken naar mijn gemiddelde quoteringen van boeken. Op 18 jaar tijd hebben slechts drie boeken de volle vijf sterren gekregen (‘To kill a mockingbird’, ‘Hyperion’ en ‘Cloud atlas’). Twee kregen nul sterren: ‘Grof wild’ en ‘Kijk niet zo konijntje’.

Voor de rest is het gemiddelde drie-en-een-halve ster. De tweede vaakst voorkomende quotering is vier sterren en de derde drie sterren. Dus ik ben niet zo’n strenge zeurpiet. Slechts 26 werken wisten minder dan twee sterren te vergaren.

En nu? Wel, terug meer vrouwen lezen, iets vaker in het Duits lezen, me misschien nog eens wagen aan origineel Franstalig werk. En Afrika, natuurlijk. Voor de rest blijf ik gewoon lezen wat m’n pad op komt of wat mensen me in handen stoppen. En hopelijk kan ik in 2036 het 36-jarige jubileum vieren van mijn neergeschreven leeservaringen.

zondag 14 januari 2018

Succesvolle vrouwenhaat

Langzaam maar zeker nader ik de 35 - min of meer de helft van mijn leven. Dat maakt me niet bepaald vrolijk, maar het maakt ook niet enorm veel uit. Wat wel iets uitmaakt, is de ervaringen die ik in m'n leven heb opgestapeld. Vanaf mijn 21ste ben ik heel langzaam en gradueel beginnen groeien in het idee van feminisme. Dat mannen en vrouwen niet alleen wettelijk maar ook sociaal als gelijken zouden moeten beschouwd worden. Dat vrouwen geen bezit zijn van iemand en zich niet hoeven te plooien naar het tweesnijdende zwaard van sexy te moeten zijn en tegelijk geen seks te hoeven verlangen. En zo voort, en zo verder.

Monsters en leuke monsters
 
In seksuele ervaringen was ik een relatieve laatbloeier (niet in gedachten, maar dat is een ander verhaal). En de meisjes en vrouwen waar ik iets mee gehad heb hadden allemaal verhalen over shitty jongens en mannen. Jongens en mannen die hun grenzen niet kenden of ze wel kenden en overschreden, jongens en mannen die zich berechtigd voelden om hun partner klein te houden en te behandelen als stront, of 'gewoon' jongens en mannen die totaal geen interesse hadden in het verhaal van zo veel meisjes en vrouwen: van in de kindertijd als een object beschouwd worden, lastiggevallen worden door hitsigaards, instemmen met seks omdat er geen andere uitweg lijkt.

En in latere jaren stelde ik soms de vraag waarom mijn partners met dergelijke mannen bleven omgaan. Waarom, als ze casual seks zochten, ze er altijd de mannen uitpikten die misogyn en denigrerend deden. Dit gaat niet over onervaren 18-jarige meisjes die misschien van niet beter wisten, maar over volwassen vrouwen met genoeg ervaring. Een ex-partner van me zei: "Ik kon toch niet op voorhand weten dat het zo'n eikel zou blijken?" En dat begrijp ik. Mensen hoeven zich ook niet te verdedigen over met wie ze al dan niet hebben geslapen.

Eén van mijn favoriete journalisten is de Amerikaanse Erin Ryan. Die tweette vandaag nog dat ze haar verdenking evenredig stijgt naarmate een man uitpakt met hoe 'woke' hij is en die verdenking deel ik. Het is vrij gemakkelijk om een Harvey Weinstein te zien als het monster dat hij is: hij is een conventioneel onaantrekkelijke man, oud en zwaarlijvig, rijk en machtig, en stond sowieso al bekend als een bullebak. Het is moeilijker om te accepteren dat er nu ook verhalen naar boven komen over acteurs als James Franco en Anziz Ansari, mannen die het goed lijken te menen. Ik begrijp dat niet alle foute mannen zich aandienen met een bruutheid en een gortige grijns.

Maar wat ik dan soms denk, als oprechte bondgenoot van feministen, is dat als je neukt met een misogyne lul, je hen gewoon bevestigt in hun vooroordelen. Het is weliswaar juist dat je niet steeds op voorhand kan weten dat een gast er misogyne ideeën op na houdt, maar laten we elkaar ook geen Liesbeth noemen - meestal heb je dat al vrij snel door. Dit is geen "ach wee, waarom willen niet méér vrouwen met me seks hebben"-preek. Ik heb niet te klagen, dank je. Het is de koele observatie dat zelfs vrouwen die best feministisch zijn, die principes soms aan de kant schuiven voor een kerel die er goed uit ziet en vlot kan praten.

Seks met Hitler
 
Het is niet eens een verwijt, dit. Als man begrijp ik heel goed de sirenenzang van het patriarchaat. Ik weet hoe het mannen en vrouwen misvormt en zelfs de meest progressieve persoon kan verleiden. Mensen zijn doorgaans niet erg ideologisch consistent in woord en daad. Maar ergens kan je niet van twee walletjes blijven eten, denk ik dan. Er zijn genoeg potentiële partners die niet denken dat alle vrouwen stiekem hoeren zijn. Mannen die vrouwen als personen zien en niet als sekspoppen zijn er genoeg.

Als mannelijke bondgenoot is het vooral mijn taak is om andere mannen te helpen om inzichten te verwerven en hun gedrag aan te passen ten opzichte van vrouwen. Er zijn te veel mannelijke medestanders die zich verbergen achter de rokken van vrouwen, bijna geen mannelijke vrienden hebben en mooie praatjes leveren op feministische fora, maar liever thuis blijven of zich omringen met de reeds bekeerden in plaats van actief iets te doen. Maar zo zijn er net zo goed vrouwen die het feminisme ondersteunen in woord en daad, maar toch bezwijken voor één of andere lulhannes "want de seks is goed". Zou je seks hebben met Hitler of Eva Braun als die seks goed was?

Onderzoek zou uitgewezen hebben dat één van de spijtige gevolgen van deze turbulente tijden is dat vrouwen die vaker op zoek gaan naar seks, doorgaans progressiever en bevrijder zijn, terwijl de mannen die datzelfde zoeken, er doorgaans vaker misogyne denkbeelden op na houden. Met empathie en beseffen dat de situatie voor vrouwen in deze wereld moeilijker is dan voor mannen (grosso modo) komt blijkbaar een zekere aarzeling.

Sinds jaar en dag minachten macho's mannen met empathie - en met hen sommige vrouwen - en stellen ze hun mannelijkheid in vraag als ze blijkbaar geen zin hebben om seks te maken tot een potje turven op de bedpost of geen interesse hebben in rood barbecuevlees of motorolie. Maar, heren medestanders: initiatief nemen is ok. Je verlangens zijn ok. Je hoeft niet je geloofsbrieven voor te leggen dat je Simone de Beauvoir hebt gelezen en ergens aanwezig was op een mars voor gelijkheid. Je kan sexy zijn en seks willen en dierlijke lust voelen zonder daarom te transformeren tot snoevende mannetjesputter.

Iedereen fout
 
We maken allemaal fouten. Ik eet bijvoorbeeld nog steeds vlees (al is dat veel verminderd) hoewel ik heel goed weet wat voor helse industrie erachter zit. Dus ik ga zeker niet zeggen dat alle feministen en hun bondgenoten 24/7 ideologisch zuiver moeten zijn. Dat is bijna onmenselijk. Al wat ik opmerk is dat het vreemd is om te slapen met mannen die ideologische vertegenwoordigers zijn van het systeem dat je probeert te bestrijden. Ik heb het hier niet over de argeloze man die wat clichématig denkt, maar effectief over mannen met een diep misogyn wereldbeeld. Dergelijke mannen ga ik moeilijker kunnen overtuigen van de waarde van gendergelijkheid zolang ze ondervinden dat hun methodes succesvol blijven of in elk geval geen hinderpaal zijn.

Als afsluitende balsem nog dit: niet alleen maken we allemaal fouten, we komen ook ooit allemaal foute personen tegen waar we in weerwil van onze idealen dingen mee doen die achteraf bekeken een vergissing waren. Ik heb zelf zeker mijn vergissingen in die aard gemaakt. Het is niet de taak van vrouwen om mannen 'op te voeden' tot gelijkheidsdenkers. Maar net zoals het voor mij evident lijkt om niet te slapen met een raciste, een vrouw die het patriarchaat verdedigt of denkt dat #MeToo maar wat lulkoek is, zou het ook mogelijk moeten zijn om niet zomaar vrijelijk rond te neuken met mannen die je enkel zien als een bevestiging van hun eigen vooroordelen. Die stelling wegzetten als paternalistisch is wegwuiven dat gendergelijkheid iets is dat zowel in woord als daad moet beleefd worden.

zaterdag 21 oktober 2017

Ik ken de namen

Op Twitter passeerde er in de vloedgolf van de #MeToo-bekentenissen een tweet die mijn aandacht trok. De Zweedse popster Zara Larsson vroeg zich af: “Isn't it strange how every woman knows someone who's been sexually harassed but no man seem to know any harasser?”

Ik kan enkel voor mezelf spreken, maar ik ken ze wel. Ik ken veel namen die al jaren circuleren in gesprekken. In mijn bredere sociale kring zit er vrijwel zeker een verkrachter en ik weet wie het is. Maar de slachtoffers van die mannen – of het nu ging over gore berichten op sociale media, ongewenste aanrakingen of verkrachting – wilden dat ik zweeg.

Het slachtoffer als schild

Met sommige mannen in mijn kennissenkring heb ik gebroken, precies omwille van hun misogyne gedrag en uitspraken, en mijn omgeving weet dat dat de reden is. Maar je kan niet voor een slachtoffer spreken als zij (of hij) dat niet wil. Dan maak je het slachtoffer tot een bloederige banier waarmee je zelf de strijd in trekt, en riskeer je om meer schade te veroorzaken.

Of soms is het te lang geleden. Het klinkt cru om te zeggen, maar niet elk slachtoffer is tot in het oneindige getraumatiseerd of heeft last van PTSD-flashbacks (wat het leed geenszins zou goedpraten, of niet maakt dat veel mensen wél ontzettend zware trauma’s torsen), en aan littekenweefsel zitten frunniken kan soms meer pijn doen dan de herinnering van de wonde. Natuurlijk is dat ook een deel van onze seksistische samenleving, dat je over zoiets uitspreken meer kan kosten dan het mee te maken.

#iHave

Er is nog iets dat ik wil meegeven: ik ben niet perfect. Ik ben niet als strijder tegen discriminatie geboren. Het was een wordingsproces en ik heb als jongere ook vieze uitspraken gedaan, hier en daar eens langer aangedrongen dan nodig (voor u getest: het werkt niet), maar ik heb het geleerd. En ik heb gelukkig nooit iemand verkracht of aangerand. Dat dat een grote no-no is wist ik al van lang voor ik iets wist over feminisme.

Daar wil ik mee zeggen dat ik vermoed dat er veel mannen zijn zoals ik ooit was. Ze horen de klok wel luiden maar weten niet waar de klepel hangt. Of ze denken dat ze stoerder en mannelijker zijn als ze vrouwen als stront gaan behandelen. Onze cultuur lepelt aan de lopende band excuses op voor dit soort gedrag. Enerzijds, als ik mezelf als voorbeeld mag nemen, is het wellicht bemoedigend dat mensen kunnen veranderen. Anderzijds ligt voor te veel mannen ook nog het pad open naar ongecontroleerd wangedrag.

In het verborgene

Maar dus, ja, ik ken de namen. Soms namen van mensen die ik niet persoonlijk ken maar waarover wordt gesproken – beroemdheden, toppolitici, artiesten. Mannen van wie je het nooit zou vermoeden als je hen vluchtig en als mede-man ontmoet. Dan praten ze over politiek met me, over kunst, over de kwaliteit van het bier. Maar zet een vrouw voor hen neer en de stoppen slaan blijkbaar door. Dan sturen ze vunzige berichten, willen ze hun verwrongen beeld van mannelijkheid laten gelden of moeten ze met man en macht tegengehouden worden om geen vrouwen aan te randen.

Ja, als een man (of vrouw) een nare seksistische opmerking maakt (of een racistische, enz.) in mijn omgeving, zeg ik daar meestal iets op. Als ik een man seksueel intimiderend gedrag zie vertonen en ik kan er iets aan doen, dan probeer ik dat. Het probleem is dat de meeste mannen die zulke dingen doen, dat doen in omgevingen waar ze weten dat ze het kunnen doen – bijvoorbeeld als andere mannen niet kijken, of als ze weten dat hun gedrag wordt goedgekeurd door de mensen bij wie ze zijn.

Een dubbele omertà

Het is voor een slachtoffer vaak niet voldoende om enkel een luisterend oor te krijgen. Sommige vrouwen zijn even goed als mannen doordrongen van de typische patriachale excuses. “Ja ok, hij tilde mijn rok op, maar je weet hoe hij is.” Of: “Doe nu niet lastig, laat hem gewoon.” Of iets als “op het eind was ik gewoon opgelucht dat ik naar huis kon, als ik daarvoor dan maar eerst seks moest hebben, ça va.” Dit is hoe onze cultuur zowel man als vrouw compleet kan vergiftigen.

Het is dus helaas heus niet zo simpel als man om andere mannen publiek aan te wijzen als molesteerders of seksistische eikels. Wat soms wel werkt, is preventie – op een vriend of een kennis inpraten dat zijn gedrag of zijn ideeën niet ok zijn, vooraleer het kan escaleren. En daar kan je als man inderdaad vaak meer bereiken dan als vrouw, omdat mannen vaker geneigd zijn te luisteren naar andere mannen.

Een epidemie van geweld

Soraya Chemaly omschreef man-op-vrouw-geweld ooit als een “globale epidemie”. Geweld op vrouwen (en geweld tout court) komt bijna altijd van een man. Naast erkennen dat dit een probleem is, is dit ook een probleem dat niet enkel namen noemen en met vingers wijzen oplost. Het begint bij het begin: zonen opvoeden met het idee van gelijkheid, dochters diets maken dat ze dat soort shit niet hoeven te tolereren, vrienden en vriendinnen duidelijk maken dat “boys will be boys” een zwak (en onjuist) excuus is.

We hebben nog een lange weg te gaan en die is niet eenvoudig. Maar het is de weg die we moeten kiezen.

maandag 21 augustus 2017

Waarom De Morgen mij in plaats van Maarten Boudry een forum zou moeten bieden

Maarten,

We hebben al een keer of twee de degens gekruist via Twitter. Ik heb je begin dit jaar inderdaad ook bespot omdat ik je redeneringen dikwijls van een ontzagwekkend gebrekkig niveau vind. Het moet allicht niet fijn zijn om alle dagen op sociale media hatelijke reacties te lezen op je uiterlijk (of op je kekke hoedje) van boze progressieven.

Ik geloof dat je best een intelligente man bent. Een type dat veel leest. En nee, je bent niet per se een griezel met nul empathie à la Homans of Francken, of een blèrend auto-alarm à la Demir, of hetzelfde als sommige blauw-met-bruine lui van je liberale ‘denktanken’. Soms ben ik het zelfs met je eens – bijvoorbeeld over liefdadigheid.

Maar is je tijd niet stilaan gekomen om je even terug te trekken in plaats van steeds op diezelfde trommel te slaan? Wil je echt de Heidegger van den Aldi zijn voor de N-VA en hun legerscharen aan hysterisch krijsende Twitter-eitjes en hun reaguurders op HLN.be? Hoe veel keer kan je dezelfde diepvriesmaaltijd opdienen om moslimhaters, fascisten en donkerblauwe liberalen te plezieren? Zou je niet meer voldoening halen uit effectief academisch werk?

Het is niet aan mij om dit voor jou te beslissen. Maar weet dat het Vlaamse medialandschap niet erg groot is, en dat er ook andere stemmen zijn die graag eens willen gehoord worden (in dit geval: de mijne). Neem het dus niet persoonlijk dat ik je wil vervangen. Het is gewoon dat progressieven je liedje onderhand beu gehoord zijn, en dat in een krant die toch graag prat gaat op haar linkse geloofsbrieven. 

Dus: ik zou je graag aflossen als columnist voor De Morgen.

Met vriendelijke groet,
Anton Voloshin

***

Beste redactieleden van De Morgen,

Waarom ik? Waarom denk ik dat ik iets te bieden heb aan jullie lezers? Wat maakt mijn ideeën interessant genoeg om bij te dragen tot het succes van jullie krant? Wie ben ik zelfs?

De gelijkenissen

Laten we beginnen met het laatste. Net als Maarten Boudry ben ik een alumnus van de Universiteit Gent en ik vermoed dat we zelfs ongeveer dezelfde leeftijd hebben. Meer nog, we studeerden allebei aan de Faculteit Letteren & Wijsbegeerte. Eveneens verdien ik al 10 jaar mijn brood met wat ik schrijf – ik kan vrij snel en gedisciplineerd wat woorden op papier gooien. Wat dat betreft is het dus niet alsof jullie lezers een steak besteld hebben en plots quorn voorgeschoteld krijgen.

En laat me de hamvraag beantwoorden in puntjes alsof het een artikel was waar een onbetaalde stagiair bij Buzzfeed voor moest werken:

1. Ik benoem de dingen

Conservatieven en reactionairen houden van denkers die de dingen benoemen, wars van taboes. Dat doe ik ook. Ik ben niet bang om de #nieuwevrijheid van Gwendolyn Rutten te benoemen als een pretpakket vol oppervlakkige clichés. Of om Antwerps burgervader Bart De Wever aan te wrijven dat hij een lafaard is omdat hij nergens in debat wil gaan met mensen die hem niet genegen zijn. Of dat de grootste bondgenoot van IS precies de politici en opiniemakers zijn die na een nieuwe aanslag uitblinken in gespierde, verdelende en opruiende taal.

2. Ik ben politiek incorrect

Ik geloof niet dat moslims één groot, samenhangend blok vormen en dat ze allemaal op dezelfde manier denken en handelen. Weliswaar ben ik geen aanhanger van religie, of die nu komt vanuit de Arabische woestijnen of de neoliberale hoofdkwartieren van de Oostenrijkse school, ik erken dat mensen individueel verschillen en er soms tegenstrijdige meningen en ideeën op kunnen na houden. Ik geloof niet dat de waarheid “in het midden” ligt, als we spreken over een conflict tussen neo-nazi’s en al wie dat niet is.

3. Ik ben een vrijdenker

Partijkaarten zullen jullie in mijn portefeuille niet vinden. Ik volg niet de massa. Ik sta sceptisch tegenover de verouderde tactieken van de vakbonden en ik sta even sceptisch tegenover de media die diezelfde vakbonden gretig afschilderen als idiote egoïsten. Ik ben niet objectief (niemand is dat) maar ik respecteer de feiten en ik respecteer logica.

4. Er zit echt wel wat zalm in mij

Gedurende bijna vier jaar was ik de enige man in een moderatieteam op een feministische Facebook-groep met meer dan 1.000 leden. Ik heb essays en teksten geschreven over hoe ik denk dat we als land moeten antwoorden op de uitdagingen die voor de deur staan. Die antwoorden zijn nergens gemeengoed in één of andere breed aanvaarde politieke stroming. Ik durf in gaan tegen de ‘there is no alternative’-consensus, ik maak de verbanden tussen witte extremisten en salafisten, en ik durf in vraag stellen dat onze 38-urige werkweek een 19de-eeuws gedrocht is.

5. Ik weet iets over nazi's

Nazi's zijn een hot item in de huidige politieke berichtgeving. Nu wil het toeval dat ik vloeiend Duits spreek, dankzij mijn alma mater. In onze richting hebben we ons grondig verdiept in de waanzin van het nazisme en de trauma's die de vreselijkste oorlog in de menselijke geschiedenis achterliet. Ik ben geen politicoloog, dat is waar, maar als een wetenschapsfilosoof zich mag opwerpen als islam-expert, dan zie ik niet in waarom een letterkundige geen scherpzinnige politieke opinies zou kunnen hebben.

Conclusie

Ik haat het eigenlijk om mezelf te promoten (lees andere teksten van mijn hand en jullie zullen de bevestiging daarvan vrij snel vinden). Soms breekt nood echter wet, of in dit geval gewoonte. De Morgen is de enige Vlaamse krant die nu en dan openlijk een lans breekt voor progressieven. Hopelijk hebben jullie het er dan voor over om eens een echte progressief aan het woord te laten, in plaats van een filosoof die enkel een intellectueel sausje giet over de rechtse consensus van dit land.

Met vriendelijke groet,
Anton Voloshin

maandag 26 juni 2017

Decumuleren doe je zo

Politici lijken eindelijk begrepen te hebben dat het slecht staat om riante vergoedingen te krijgen voor een waslijst aan mandaten en posities, zowel in de publieke als de privésfeer. Dat is een positieve evolutie. Elke partij heeft in deze zaak boter op het hoofd. De hamvraag is echter wat een echte ‘decumul’ moet inhouden. N-VA-voorzitter Bart De Wever stelde voor om vooral de vergoedingen in te perken, niet zozeer de veelheid aan mandaten. Dit is geen goed idee. Het gaat niet ver genoeg.

Het is niet al goud wat blinkt

Volksvertegenwoordigers en bestuurders een goed loon geven vloeit voort uit het idee dat een te laag loon politici gevoeliger zou maken voor omkoping en smeergeld. In die zin is het niet problematisch dat we de mensen die ons land helpen besturen goed betalen. Het spreekt natuurlijk voor zich dat politici te veel betalen ook niet goed is. Hoe kunnen ze anders nog weten hoe de gemiddelde burger leeft, als ze zelf in villa’s wonen en tot een sociale klasse behoren waar geld nooit een probleem is?

Maar het voorstel van Bart De Wever gaat voorbij aan een ander aspect van de cumul: belangenvermenging. Hoe kan een politicus als Koen Kennis (N-VA) objectief een oordeel vellen als er een conflict rijst tussen één van de 40 organisaties waar hij een vinger in de pap heeft? Hoe kon Yvan Mayeur (PS) tegelijk burgemeester zijn van Brussel en beslissen over het beleid over daklozen terwijl hij aan die daklozen zelf duizenden euro’s verdiende?

Meer jobs dan uren in een dag


Natuurlijk betekenen 15 mandaten nog niet dat een politicus elke week met alle 15 bezig is, maar de vraag is wel hoe je volledig mee kan zijn in al van die mandaten op maandelijkse basis. Kan iemand een afgewogen oordeel vellen als die persoon reist van vergadering naar vergadering, telkens in een andere organisatie met een volledig andere eigenheid?

Politici kunnen hierop antwoorden dat er in de zakenwereld ook mensen bestaan die lid zijn van vele raden van bestuur, of diverse verantwoordelijkheden combineren. Zoiets lijkt me echter geen excuus, maar meer iets dat wijst op een breder maatschappelijk probleem. Een decumul is met andere woorden niet enkel nodig in de politiek, maar ook in het zakenleven.

Geen strobreed in de weg

Zelfs als we aannemen dat mensen het fysiek en mentaal aankunnen van pakweg 10 jobs tegelijk te combineren en er telkens met kennis van zaken te kunnen werken, zitten we nog steeds met een probleem. Hoe kunnen we verantwoorden dat één persoon zo veel macht kan concentreren in één paar handen, meestal onverkozen en op een manier die geen verantwoording moet afleggen tegenover de mensen waar hun beslissingen invloed op hebben?

Het kan dus eigenlijk niet dat er een klasse bestaat aan mensen die ongebreideld mandaten en verantwoordelijkheden toegewezen krijgen. De vergoedingen die ze hierbij opstrijken is uiteindelijk van een ondergeschikt belang. Het gaat er meer om hoe ze hele sectoren kunnen controleren zonder dat iemand hen een strobreed in de weg kan leggen, behalve mensen uit hun eigen klasse, van welke politieke of zakelijke signatuur ze ook zijn.

Dangerous liaisons
Er blijven mensen nodig die vooral teren op netwerken, en zowel politieke als zakelijke spelers met elkaar in verband kunnen brengen. Onze maatschappij wordt door dit type mensen mee in stand gehouden – de slimme ambtenaar die weet wat een grote werkgever nodig heeft om meer mensen aan te trekken, of de geniale bedrijfsleider die ervoor kan zorgen dat de politiek weet wat ze moet doen om zijn of haar bloeiende bedrijf werkzekerheid te bieden.

Wat we niet nodig hebben, zijn mensen die talloze mandaten combineren, van alles maar half en half weten hoe het zit, en intussen zichzelf verrijken. Bestuursleden horen niet thuis in vijf raden van bestuur, en politici horen geen lid te zijn van zeven overheidsorganisaties. Een sociaal netwerk creëren kan ook zonder dat er mandaten aan vast hangen.