Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling opiniestukken daarvan, want God weet dat er daar nog niet genoeg van bestaan. Mocht je je bij het lezen ervan afvragen: "kritiek hebben kan je wel, Anton, maar heb je ook oplossingen?" dan kan je 'De Nieuwe Staat' voor €0 downloaden. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 3 december 2014

De Kleurloze van Studio Brussel

We naderen met rasse schreden het eindejaar, en dat betekent dat veel Vlaamse muziekzenders uitpakken met door hun publiek bepaalde toppen 100, 1000 en 2500. De grootvader van al die lijstjes is de Tijdloze van Studio Brussel, die al bestaat sinds 1987.

dEUS versus Michael Jackson

Een muzieklijst met veel aplomb 'de Tijdloze' noemen is allicht, ironisch genoeg, niet meer van deze tijd. De periode dat Studio Brussel een zelfgenoegzaam bastion was van enkel rockmuziek ligt al een dik decennium achter ons, en een onderneming die probeert de beste popmuziek ooit in een hiërarchische lijst te gieten, is eigenlijk al bijna op voorhand gedoemd.

Je kan je bijvoorbeeld afvragen waarom het Vlaamse StuBru-publiek jarenlang dEUS met verschillende nummers in de lijst zette en het Michael Jackson zo goed als negeerde tot hij dood was. Of waarom rock zo gigantisch oververtegenwoordigd blijft. Hint: het is heus niet omdat rock superieure muziek heeft geproduceerd.

Rockisme versus poptimisme

In de muziekwereld woedt al een klein decennium een polemiek tussen de zogenaamde 'rockists' en 'poptimists'. De eersten vertegenwoordigen, grosso modo, instituten als de Rock & Roll Hall of Fame en Rolling Stone, grotendeels conservatief geworden media die nog altijd hulde brengen aan de jaren '60 en de spirituele opvolgers daarvan, en waarbinnen zich een generatieshift aan het voltrekken is dat naar de jaren '80 als nieuwe nulmerediaan evolueert. Deze rockisten staan nog altijd grotendeels afwijzend tegenover muziek zonder gitaren.

Een subcategorie rockisten bestaat uit mensen die slechts muziek beluisteren binnen één subgenre of één subcultuur. Die verwijten rockisten terecht dat ze helemaal niet de vertegenwoordigers zijn van een tegencultuur, maar maken dezelfde fout van zich vaak nog puristischer op te stellen dan de puristen die ze bekritiseren. De poptimisten daarentegen staan open voor alle muziek, van de diepste underground tot de breedst uitgemeten pop, over de grenzen van traditionele genres heen. Poptimisten zijn mee gegroeid met het internet en vertegenwoordigen een meer laterale, minder hiërarchische cultuur.

Er valt een argument te halen bij het feit dat eens je muziek kritisch wil gaan benaderen en platen of nummers gaat rangschikken, dat te ver doorgedreven relativisme de hele zaak zinloos maakt. Maar het is niet dat poptimisten niet kritisch kunnen zijn - het waren bijvoorbeeld poptimisten die de kat de bel aanbonden rond überseksist Robin Thicke, en de vele lange opiniestukken die we moesten slikken rond Lana Del Rey, toont dat er ook binnen de rangen van de poptimisten hevige debatten kunnen oplaaien.

Tijdloze, blanke man

Terug naar de Tijdloze. Dat is één van de weinige bunkers waar de poptimisten nog maar weinig barsten in gekregen hebben. Ondanks gemopper van sommige oudere luisteraars dat er de laatste jaren bands als Kings of Leon in staan, zijn diezelfde Kings of Leon nog altijd nette erfgenamen van de door rockisten verafgode iconen. In de Tijdloze vinden we vooralsnog geen Aphex Twin, Jay-Z, Madonna, Roni Size, Lady Gaga, 2pac, Paul Oakenfold, Beyoncé of Eminem.

Los van de engdenkendheid wat genre betreft, verwijten poptimisten aan rockisten af en toe dat ze bijna exclusief oog hebben voor blanke mannen. Ik vroeg me af welk percentage van de nummers van de Tijdloze minstens één vrouwelijke performer hebben en heb de lijsten er bij genomen van 1987, 1992, 1997, 2002, 2007 en 2013. In 1987 was dat (afgerond) 7%, en in 2013 - hou u vast - 10%. Het piekjaar was 2002, met 13%. Met de vertegenwoordiging van niet-blanke artiesten is het nog slechter gesteld. Hun aandeel zit al sinds 1987 muurvast op ongeveer 8%.

In haar 27-jarig bestaan heeft de Tijdloze nog nooit een vrouwelijke artiest op de eerste plaats (of zelfs maar top vijf) gehad. Vergelijk dit met een ander vox populi-circus, het verguisde Eurovisiesongfestival, dat over een vergelijkbare periode 60% vrouwelijke winnaars telde. Een heel faire vergelijking is dat misschien niet omdat de Tijdloze veel trager roteert, maar een stijging in het aantal bands met vrouwen in van 6% over drie decennia is wel bijzonder traag.

Vergeten en witgewassen

Het argument kan vallen dat er nu eenmaal meer mannen en blanken in de rockwereld zitten, als men dan toch even alleen maar de genres bekijkt die rockisten voor vol aanzien. Ten eerste is het niet zo dat andere muziekgenres geen problemen zouden hebben met seksisme (hip hop, metal en de dj-wereld zijn slechts drie voorbeelden), maar poptimisten voeren wel het debat. Rockisten hoor je er niet over. Ten tweede zijn er al vanaf de jaren '60 veel grote vrouwen in rock geweest: Blondie, Joan Jett, Janis Joplin, Courtney Love, Björk, Skin, PJ Harvey, Shirley Manson, en dat zijn enkel de namen waar ik spontaan op kom.

Wat de verdeling van etnie betreft, gaat dat argument iets beter op: sinds Elvis de mosterd haalde bij de zwarte Amerikaanse gemeenschap, is rock een overwegend blanke zaak geworden. De weinige zwarte artiesten die mochten opdraven in de Tijdloze, zijn overigens volledig gerecupereerd door een blanke scène, zoals Michael Jackson (letterlijk), Prince of Freddy Mercury van Queen, waarvan veel mensen allicht niet eens weten dat hij oorspronkelijk uit Afrika kwam.

Geen quota

Voor wie al met de ogen zou zitten rollen: ik vind niet dat een lijst die samengesteld wordt door een publieksstemming, plots quota moet opgelegd krijgen voor genres, gender of etnieën om te voldoen aan een politiek correct idee. Wat wel loont, is dat het publiek dat over zo'n Tijdloze debatteert en veel bezig is met muziek, er even bij stilstaat welke mentaliteit hun keuzes reflecteert.

Die mentaliteit spookt overigens ook door de debiele broertjes van de Tijdloze, the Greatest Switch en de Zwaarste Lijst, waar de eerder vermelde 'subcultuurpuristen' meer hun ei kwijt kunnen. Maar die twee lijsten kunnen niet tippen aan het patina en de eerbiedwaardigheid die de Tijdloze vergezellen. Tijdloos worden nummers door ze bij herhaling als dusdanig te promoten en in het publieke geheugen te etsen.

De gevarendriehoek

Het helpt bovendien niet dat Studio Brussel, poptimistische vooruitgang ten spijt, deel is van wat ik de Humo-StuBru-Woestijnvis-driehoek zou noemen, voornamelijk jongensclubjes waar meisjes welkom zijn zolang ze meestappen in verouderde opvattingen rond gender ("meisjes zijn zò en jongens zijn zò") en zich het ongetwijfeld ironische en ludieke seksisme maar laten welgevallen. Het zelfbeeld van ruimdenkendheid in deze driehoek verhindert juist het inzicht dat het met die ruimdenkendheid nog helemaal niet zo vooruitstrevend gesteld is - en dat ze op sommige vlakken pijnlijk langs rechts ingehaald worden door een aantal nieuwe media.

Studio Brussel is nog altijd een te koesteren idee in het landschap van de publieke radio-omroepen in heel Europa. Een zender die mensen wil bedienen die wat buiten de mainstream vallen en graag de vinger aan de pols houdt, is een godsgeschenk, zelfs in tijden van overal internet. Precies daarom dat het zo machtig zou zijn als een lijst als de Tijdloze beter het nieuwe poptimisme zou reflecteren, in plaats van het Adelaarsnest te blijven van de rockisten. Stemmen we volgend jaar allemaal op diversere klassiekers?

vrijdag 10 oktober 2014

Social notwork

Vorige week ben ik systematisch alle bedrijven, bands, artiesten, films en allerhande andere niet-personen beginnen ontvolgen (daarom niet ontliken, dus vrees niet, vrienden met kleine bedrijfjes en projecten!) omdat de helft van m'n Facebook-feed door hun updates begon ingenomen te raken.

Net zoals het rookverbod er toe leidde dat er plots allerlei onfrisse geuren uit het behang van cafés begonnen op te stijgen, merkte ik een ander fenomeen: ik kreeg op een gemiddelde week maar van dezelfde 50 à 60 mensen updates te zien, meestal mensen die tot dezelfde 'clusters' behoren en waarvan ik goed de helft maar enkele keren op een jaar zie. Ik heb ongeveer 450 Facebook-vrienden, dus Facebook kiest ervoor, op basis van een cryptisch algoritme, om me systematisch nieuws te ontzeggen van een dikke 350 mensen in mijn vriendenlijst.

Al weet ik niet hoe Facebook precies concludeert welke mensen het nog waard zijn om me voorgeschoteld te worden, zal dat allicht gebeuren op basis van interactie, dat wil zeggen likes en commentaren. Maar niet iedereen waarvan ik een status like of die een leuk nummertje post, wil ik daarom van nabij blijven volgen. Omgekeerd heb je mensen die me boeien, maar die weinig posten waar ik mee ga interageren. Facebook geeft me niet de kans om m'n eigen prioriteiten in te stellen.

Toen Ello werd aangekondigd, was de belangstelling massaal, ondanks het gebrek aan functionaliteiten en de mysteries rond de fondsen die achter Ello zitten. Een columnist zag daar uiting in van het verlangen om Facebook vaarwel te zeggen als er iets beters zou komen, en ik denk dat hij gelijk had: ik ben het zat dat Facebook me digitaal in alsmaar nauwere cirkels duwt, met steeds dieper verborgen mechanismen waardoor ik geen controle meer heb over mijn data en digitale sociale aanwezigheid.

Facebook heeft afgedaan voor mij. Bij de volgende schoonmaakoperatie zal ik beginnen met foto's verwijderen en de toch al beperkte informatie die er over mij bestaat, verwijderen. Hopelijk laten we niet toe dat de Zuckerbergs met dollartekens in de ogen, en een totale minachting voor hun gebruikers, sociale media blijven runnen, want anders verandert weer maar een pracht van een uitvinding in een corporate nachtmerrie. In tussentijd is het wachten op de echte goeie Facebook-killer.

donderdag 5 juni 2014

DDT

Spelling is altijd goed voor een robbertje nutteloos debatteren. In het brandpunt van de dag staat de overbekende dt-fout, waarvan een (anonieme) docent Nederlands vond dat daar veel te hard op gefocust wordt als bewijs van vermeende onkunde in de taal. Ann De Craemer schreef er een goede reactie op in De Morgen, maar toch ben ik het niet helemaal met haar eens.

Taal is voor mij geen monument, maar een ecosysteem. Er zijn elementen in die elkaar voortdurend in stand houden als eb en vloed - we maken bijvoorbeeld onderscheid tussen 'w' en 'v' omdat er anders een pak woorden hetzelfde zouden klinken - en het systeem als geheel wordt door tientallen moeilijk te achterhalen factoren voortdurend één of andere richting uit gedreven. De meeste Nederlandstaligen zullen bijvoorbeeld van de meeste 'de-woorden' niet meer weten of die woorden nu mannelijk of vrouwelijk zijn. Dat is niet zo erg. Het Zweeds heeft bijvoorbeeld ook wat men noemt een utrum naast een neutrum.

Een goede metafoor van prof op rust Johan Taeldeman is dat taalgebruik is als een ensemble aan kleren. Je komt niet met een maatpak aan op een pensenkermis, en je gaat op eigen risico met gummilaarzen en een overall aan naar een receptie met ministers. Taalgebruik zegt iets over mensen, onvermijdelijk. Er zijn nog maar weinig voorstanders te vinden van een schrijf- en spreektaal die tot op de letter de norm volgt. Taeldeman was een vurig tegenstander van het Verkavelingsvlaams, maar leek er zich knarsetandend bij neer te leggen dat die in steeds meer domeinen aanvaarding vond. Er hoeft overigens ook geen probleem te zijn met een afstand tussen hoe men schrijft en spreekt. In schrijftaal kunnen Duitsers en Duitstalige Zwitsers elkaar volkomen begrijpen, maar in spreektaal zullen ze snel op problemen stuiten.

Aan de ene kant: niemand maakt zich geliefd door pedante vogelpiekpijltjes te gooien naar mensen die zich bezondigen aan spelfouten of kleine grammaticale uitschuivers. Aan de andere kant: in een sociaal klimaat waar alles wat naar bevoogding ruikt, verdacht is, is "my way or the high way" een zo mogelijk nog kwalijker houding. In spreektaal en zeker in schrijftaal heb je nu eenmaal breed gedragen afspraken nodig om elkaar vlot te verstaan. Schrijven zoals je spreekt is haast onmogelijk, omdat iedereen anders spreekt, zelfs al beheersten we allemaal fonetisch schrift.

Bovendien is de romantische gedachte dat spelling en uitspraak elkaar in een ideale wereld 1/1 volgen, met ons alfabet zeer moeilijk te realiseren. Nederlands heeft meer dan 12 klinkers, om maar iets te zeggen. Ook grammatica, zoals De Craemer al opmerkt, komt om de hoek loeren. Het lijkt raar dat we 'ik ben verveeld' schrijven terwijl we die 'd' niet zo uitspreken, maar we hebben het wel over 'verveelde leerlingen'. En wat dan met dubbele medeklinkers? Of meerdere tekens die voor één klank staan? Of één teken dat voor verschillende klanken staat? Voorstanders van "ik schrijf zoals ik spreek" zijn inconsistent, en roepen die leuze enkel in omdat ze hen specifiek uitkomt in een aantal selecte gevallen.

Net zo met taalpuristen die zich laven aan het verbeteren van andermans fouten - iemand op een dt-fout pakken is eigenlijk een beetje zoals schieten op een dodo. Het maakt de fout niet minder onnozel, maar de verbeteraar komt er nauwelijks beter uit. Wild tekeer gaande taalnazi's zijn meestal de eersten om stilistisch of grammaticaal op hun bek te gaan, met beletseltekens, Engelse splitsingen en verkeerd gebruik van aanhalingstekens toe. Ik herhaal het: taal is een ecosysteem. Het is niet iets wat eenvoudig te vatten is door enkele autisten, en het zal eveneens niet veranderen door een vocale minderheid die drinkt van de rivier waar ze in urineert.

We hebben zowel normeerders nodig die met kennis van zaken afspraken kunnen maken, die uitdragen en aanpassen waar nodig, en innoveerders, die nieuwe elementen kunnen aanbrengen of evoluties verder kunnen pushen. Daar doet het Nederlands het overigens lang niet slecht in. De schrijftaal van het Engels en het Frans is bijvoorbeeld een hopeloos archaïsche puinhoop. Tegelijk zijn hun verschillende jongerentalen en uitwaaierende dialecten een schatkamer aan vernieuwing waar het Nederlands achterop lijkt te hobbelen.

Suggestie: laat een volgende spellingsherziening niet enkel beslissen door kamergeleerden en taalkundige taxidermisten. Laat geoefende creatievelingen ook meedoen: zangers, schrijvers, dichters, journalisten, bloggers, twitteraars. Of hoe denken mensen dat onze eerste standaardtaal ontstaan is? De Statenbijbel van de 17de eeuw was een collaboratief project van geletterde mensen uit alle uithoeken van de Nederlanden, die toen veel meer dan nu dialectisch verbrokkeld waren, en zeer diverse achtergronden bezaten. Als we ons ecosysteem graag levendig en divers houden - om niet te zeggen scherp - waarom niet op die manier?

donderdag 6 februari 2014

Over slechte poëzie

Moet een dichter vandaag nog een poëtica hebben? Misschien. Moet een dichter die poëtica, zo hij of zij die heeft, expliciet maken? Niet echt. Zijn er te veel dichters die geen flauw benul hebben van wat een poëtica is? Zeker en vast.

De Nederlandstalige poëziewereld is geen oneindig universum. Op lokale evenementen stuit je vaak op dezelfde namen, en de literaire wereld heeft een duidelijke voorkeur voor proza en fictie (omdat er een groter publiek voor is en er dus meer centen mee te verdienen vallen). De kleinheid van die wereld heeft zo z'n voordelen, maar heeft ook nadelen.

Om de olifant uit de kamer meteen buiten te krijgen: het grootste nadeel is de ijzeren greep van een aantal gevestigde instituten die voor een toplaag aan poëzielezers en -schrijvers die zelf goed ingelezen zijn, bepaalt wat goed is en wat niet goed is. Er is niets mis met duiding voor en door ervaren mensen, maar het wordt allemaal wat krap bemeten als dat gaat over een groepje van hooguit 30 mensen in het hele Nederlandstalige taalgebied.

Dat probleem terzijde gelaten, is er een ander probleem dat we onder ogen moeten durven komen: er wordt bijzonder veel bagger geschreven die moet doorgaan voor poëzie. Let wel dat ik het hier niet heb over mensen die enkele versregels neerpennen voor zichzelf, of een blog onderhouden waar ze voor de rest geen ambities mee koesteren.

Ik heb het hier over dichters die ambitie koesteren, of op z'n minst een beperkte status als dichter genieten, zonder dat ze er veel tegenover kunnen plaatsen. Laten we even dieper in gaan op die types.

Dichters die zelden of nooit poëzie lezen, enkel schrijven

Dit is veruit de grootste categorie onder de slechtschrijvers in Vlaanderen en Nederland. Van een muzikant verwacht je dat die veel van muziek weet, van een schilder lijkt het ons vanzelfsprekend dat die goed thuis is in de canon van de schilderkunst, maar zonder veel commentaar bestijgen wekelijks nog dichters podia die geen notie hebben van andere poëzie. Dat is spijtig, en het is veelzeggend dat wie daar iets over zegt, al snel wordt aangewreven een vreselijke snob te zijn. Art brut heeft zijn waarde, maar laat het ons, uitzonderlijke gevallen niet te na gesproken, geen serieuze poëzie gaan noemen.

Dichters die enkel een publiek willen behagen

Bezoekers van poëzie-evenementen zijn niet noodzakelijk hardcore liefhebbers van het genre, en daar is geen probleem mee. Waar ik wel een probleem mee heb, zijn dichters die telkens het kunstje opvoeren van het publieksbehagen: scoren met belegen punchlines, flauwiteiten die even "de ernst moeten doorbreken", of sentiment verpakken als slimheid. Humor heeft zijn plaats in de dichtkunst - dat wordt vaak miskend - maar plat op de buik gaan om een publiek vooral niet te doen nadenken, is beunhazerij van de bovenste plank.

Dichters die meer bezig zijn met dichter zijn dan dichten

Elke schrijver schrijft anders en is niet even productief. Onvermijdelijk hoort bij dichten ook een bepaald imago, dat zelfs al wil je het zelf niet, opdoemt bij mensen die horen dat je poëzie schrijft. Maar laat dat imago de productie niet overwoekeren. Wie zich nog het meeste van al laat voorstaan op zijn of haar poëtische imago, al dan niet door excentrieke idiosyncrasieën, schrijft vaak de mottigste poëzie. Veel dichters zijn vreemde vogels, maar niet alle vreemde vogels zijn dichters, laat staan dat ze zich dit imago zouden mogen aanmeten om hun vreemdheid een plaats te geven.

Dichters die alles maar best en ok vinden

Sympathiek zijn is belangrijk, maar heeft zijn grenzen. De mening van een dichter die vindt dat er voor elk type poëzie wel iets te zeggen valt, waarom zou je daar rekening mee moeten houden? Het is als een filmcriticus die elke film automatisch drie sterren geeft. We willen lief zijn voor elkaar omdat we ook willen dat men lief is voor ons, maar van een pluchen podium met steunwieltjes wordt geen enkele dichter beter. In het begin van dit betoog gaf ik aan dat niet elke poëtica vastomlijnd of expliciet hoeft te zijn, maar het helpt wel als je weet waarom je iets goed vindt en waarom niet.

Dichters die geen literaire kritiek kunnen verdragen

Artiesten hebben dikwijls gevoelige ego's, en in het geval van poëzie, dat toch dikwijls door zowel publiek als producent gezien wordt als iets bijzonder persoonlijk, kan kritiek op het geleverde werk hard aankomen. Echter, kritiek hoort erbij. Zelfkritiek kan een dichter al een heel eind ver brengen en heeft te maken met het vorige punt. Je kan moeilijk kritiek toetsen of geven als je eigenlijk niet weet waarom je het zegt, buiten het aftandse "ja maar ik vind dat".

maandag 26 november 2012

Willen is kunnen

Ik heb het geluk veel mensen te kennen die net als ik graag lezen. Dat is erg fijn. Wat me opvalt, is dat velen onder hen de Nederlandse literatuur links laten liggen en liever Engelse literatuur ("in het Engels!") lezen, en ik heb het hier niet over mensen die rondhangen in hellecirkels waar '50 Shades' en 'Twilight' gelden als literatuur, noch over verstokte anglisten.

Zelfhatende Nederlandstaligen?

Nederlandstalige intellectuelen hebben een koele relatie met hun eigen taal. Ik heb al een paar keer de mening mogen aanhoren dat men beter het Nederlands zou afschaffen en vervangen door het Engels, of dat Nederlands toch gedoemd is om uit te sterven en volledig door Engels uitgeroeid te worden. Staan op de schoonheid van het Nederlands wordt gezien als wat schoolmeesterachtig, of pleiten voor taalzorg wordt gemakshalve gecatalogeerd onder besognes van rechtse zakken. Ik ben zo links als ze komen, dus die tegenwerping schiet alvast mijlenver haar doel voorbij.

In plaats van de zeiksnor uit te hangen en te zeggen dat mensen die Engelse literatuur prefereren onder het juk zitten van Angelsaksisch cultureel imperialisme, een kwalijk minderwaardigheidscomplex of een verkeerd beeld hebben van de Nederlandse literatuur, ga ik graag in op manieren om 'onze' literatuur terug beter en aantrekkelijker te maken. Ik probeer me daar niet bij te verliezen in stuntelige aanvallen op auteurs die ik niet gelezen heb, maar kom, nu moet me toch wat van het hart: er wordt te veel brol geschreven, en er heerst in de kleine kringen van de literatuur al te vaak een 'kleren van de keizer'-mentaliteit.

Middelmaat heerst

Ik ga niet zo gauw zwart op wit een andere schrijver afzeiken, omdat het makkelijk is om dat te zien door de lens van iemand die nog niet gepubliceerd heeft en dus wel gefrustreerd moet zijn. Ook blijven de slechte boeken die ik in het Nederlands gelezen heb beperkt tot schrijvers die uiteindelijk niet zo'n florissante carrière meer blijken te hebben. 'Slaap', een vrijblijvend boekje, werd aanvankelijk onthaald als voorbode van een nieuwe generatie jong talent, maar enkele jaren na de hype wordt Annelies Verbeke beter ingeschat als niet onverdienstelijk, maar zeker niet de persoon die de Lage Landen zal verbazen met haar hoogstaand proza. Dimitri Verhulst lijkt eenzelfde lot beschoren, en terecht.

Wie ik het nu wel even over wil hebben, is Arnon Grunberg. Ik lees z'n columns in Humo, volg zijn reportages, heb 'De mensheid zij geprezen' en nu 'De Joodse messias' gelezen. Iemand moet me uitleggen waarom die man vandaag geldt als één van de grote namen in de Nederlandse literatuur. Als je als taalliefhebber en lezer Grunberg voorgeschoteld krijgt als top van de lokale literatuur, zou je van lieverlee vluchten naar Engelstalige auteurs. Alleen al dat treiterende, neerbuigende 'u' van zijn columns die vaak nergens naartoe gaan. Je kan columnisten als Camps en Dewulf verwijten dat het als simpel geweten verpakte aanstellers zijn, maar ze hebben tenminste nog wat te zeggen.

Dan was er 'De mensheid zij geprezen', zo'n boek dat aanvoelde als een iets te luide grappenmaker die eindeloze variaties vertelt op dezelfde mop en je de pointe er nog bij uitlegt ook. Ik dacht toen dat ik misschien het verkeerde boek had uitgekozen. Grunberg is een gelauwerd schrijver, dus al die andere lezers en literaire experts zullen het wel beter weten, zeker? 'De Joodse messias' is niet veel beter, jammer genoeg. Houterige dialogen, die irritante 'heb je 'm, heb je 'm?'-ironie, zinnen die uitdrukkelijk dingen naar de gunst van mensen die niet zo'n uitgebreide woordenschat hebben opdat ze zich niet te dom zouden voelen, en ga zo maar verder.

Ook herinner ik me nog de fameuze polemiek tussen Grunberg en A.F.Th. van der Heijden. Wat een zielige vertoning was me dat. Een orkaan van platitudes en gratuite beledigingen die al gauw met literatuur niks meer te maken hadden.

Grunberg staat niet alleen met zijn problemen. Ik heb alleen hem als voorbeeld gekozen precies omdat hij zo gekend en geprezen is. Je zal me ook niet horen afdalen in hysterische drukdoenerij over waarom zijn werk gepubliceerd wordt. Het is niet dat hij niets kan of dat ik denk dat de uitgeverswereld collectief zijn verstand verloren heeft. Het is gewoon dat het allemaal zo wraakroepend middelmatig is. In de Angelsaksische wereld hadden ze er al lang een redacteur of drie op gezet, en was hij zeker niet verheven geraakt tot de top.

Tegenargument

Ik hoor met gestage tred al enkele Grunberg-verdedigers aan komen. De argumenten zullen luiden als volgt:

1. "Heb je wel genoeg gelezen?" Dat kan een zeer geldig argument zijn, maar ik denk dat m'n referentiekaders intussen voldoende breed zijn om enerzijds een boek op z'n eigen verdiensten te beoordelen, en dat ik anderzijds al genoeg Grunberg achter de kiezen heb om te zien dat zijn amechtig proza geen eenmalige uitschuiver is.

2. "Over smaak valt niet te twisten." Wel wel, het zijn de jaren '60 aan de lijn, ze willen graag hun relativisme ad absurdum terug. Bovendien kan je wel discussiëren over smaak.

3. "Anton Voloshin stelt zelf weinig voor als schrijver." Ook dat is geen excuus. Een theatercriticus hoeft ook zijn strepen niet verdiend te hebben als regisseur of acteur om een gedegen mening te kunnen hebben over theater.

Kleine markt is geen excuus

Literatuurgezinde personen laken het feit dat uitgevers zich volop in de commercie gestort hebben. Uitgevers klagen zelf dat er met literatuur haast geen geld meer te verdienen valt. Je hebt daar natuurlijk een probleem als je potentiële publiek in eerste instantie maar 23 miljoen mensen bevat, tegenover een honderden miljoenen mensen die Engels kunnen begrijpen. Dan nog, dit mag geen excuus zijn waarom er zo veel slecht geschreven wordt, wel integendeel.

Bovendien is er nog een ander argument: Nederlandstalige auteurs zijn erg zelden populair in vertaling. Daar zijn al allerlei redenen voor aangevoerd, maar er is kennelijk niemand die durft opperen dat dat komt omdat de meesten onder hen gewoon niet goed genoeg zijn. Tsjechisch en Zweeds zijn talen met meer dan de helft minder sprekers dan het Nederlands, en toch hebben Tsjechië en Zweden internationaal gerenommeerde literatoren én schrijvers van bestsellers voortgebracht.

Gekmakend potentieel

Ik geloof erg sterk dat er veel potentieel zit in het Nederlands. Ik verdien dan wel mijn brood met Engels, maar ik ga nooit m'n missie opgeven om de gereedschapskist van het Nederlands ten volle te benutten om mooie dingen te proberen maken.

Het gaat verder dan de taal op zich. Nederlands zit in een prachtige geografische positie, als kruispunt tussen Engels, Duits en Frans, drie wereldtalen die voldoende overeenkomsten en kruisbestuivingen vertonen met onze taal zodat lenen, vertalen en hertalen veel makkelijker wordt dan als je pakweg moet gaan vertalen uit het Hongaars of het Turks.

Maar mooie resultaten kunnen niet geboekt worden zolang de literatuurwereld zelf niet streeft naar meer uitmuntendheid. Anders zullen we Grunberg na Grunberg zien komen en gaan, uit een steeds verder slinkend leespubliek dat naderhand ook nog maar zal kunnen kiezen uit boeken van een viertal uitgeverijen.

Vadermoord

Ik heb al eerder een lijst met suggesties gegeven wat we kunnen doen om deze middelmaat te ontvluchten en boven onszelf uit te stijgen. In tussentijd: voel je als lezer absoluut niet verplicht om dingen goed te vinden omdat de media het promoten, of omdat sommige boeken op gedwee geknik van andere lezers onthaald worden. Het is geen nestbevuiling om te zeggen dat er aan de top geen plaats is voor de Grunbergen, Palmens en Verhulsten van deze wereld.

zondag 10 juli 2011

Maar wat is het nut nu precies?

Wat is het nut van het studeren en subsidiëren van alfawetenschappen?

Literatuur, kunst, filosofie en geschiedenis staan als formele hogere studieprogramma's onder zware druk. Hetzelfde geldt in mindere mate voor de meer geavanceerde theoretische wetenschappen en daarvan afgeleide ondernemingen zoals ruimtevaart. Hoewel ze op het eerste zicht erg van elkaar verschillen, worden ze geconfronteerd met zeer vergelijkbare vragen. Veel mensen vragen zich af wat het nut is van geld pompen in ruimtevaart, omdat er geen direct voordeel aan vasthangt voor de gemeenschap, net als dat geld spenderen aan letteren en wijsbegeerte de gemeenschap niet erg veel vooruit lijkt te helpen.

De critici van zowel de abstracte wetenschappen en de alfawetenschappen beweren dat het geld dat men eraan uitgeeft beter zou uitgegeven worden aan zaken "die er toe doen", zoals ziekenhuizen of toegepaste wetenschap. Tegenstanders van deze disciplines beweren verder dat deze studiegebieden kiezen, en bij uitbreiding subsidiëren, een deel van onze maatschappij onproductief maakt. Essentieel bekeken, of het nu gaat over de bizarre, 'vergezochte' takken van wiskunde of de diepgaande studie van zestiende-eeuwse Spaanse literatuur, vindt men deze programma's waardeloos. Een Master in de filosofie gaat geen levens redden, kantoorgebouwen ontwerpen of de workflow van een luchthaven managen.

De eerste verdediging

Met wisselend succes hebben de L&W-programma's een antwoord geboden aan deze uitdagingen. Sommige antwoorden hebben geprobeerd dezelfde redenering van hun tegenstanders te volgen: een student kunstwetenschappen zou een briljant entertainer kunnen worden, of een exobioloog zou wel eens een levensvorm kunnen ontdekken die erg voordelig blijkt te zijn voor de menselijke gezondheid. Men schildert de programma's hiermee af als ondernemingen met een hoog risico en een hoge opbrengst. Nochtans zal iedereen wel inzien dat het niet zo indrukwekkend is als een pas afgestudeerde ingenieur die onmiddellijk een brug kan ontwerpen die 250 jaar meegaat. Het valt ook nog te bezien of de investering in de vele studenten in deze disciplines die werkloos worden, laagbetaalde jobs of mislukte carrières zullen hebben, zichzelf terugbetaalt aan de hand van één op tienduizend studenten die erg succesrijk worden.

Andere mensen vanuit de L&W-wereld en de meer theoretische studiegebieden hebben geprobeerd om het emotioneel te spelen. Zij zeggen dat filosofie de moeite waard is om te studeren omdat het ons iets zegt over hoe mensen in elkaar zitten en hoe we de wereld zien. Ze kunnen zeggen dat astronauten voortdurend de grenzen verleggen in wat de mensheid kan bereiken. Maar deze argumenten helpen niet mee kanker genezen, en spelen al evenmin een rol in het terugdringen van milieuvervuiling of werkloosheid.

Het draait allemaal om geld

Verrassend genoeg heb ik nog geen antwoord gelezen dat de originele premisse in vraag stelt. De implicatie van de vraag naar het nut van subsidies voor de alfa- en abstracte wetenschappen is: waarom geven we hier geld aan uit als het ons niets opbrengt? Maar onder het mom van jonge mensen aan te moedigen om een opleiding te kiezen die nuttig kan zijn voor de maatschappij, is er eigenlijk maar één argument dat telt: geld.

Het feit dat er nu een brug is over de Øresund die de bevolkingen van Denemarken en Zweden met elkaar verbindt, bijvoorbeeld, is verbazingwekkend en zal een heel pak mensen gelukkig gemaakt hebben. Maar die brug is niet gebouwd om mensen gelukkig te maken. Ze werd gebouwd om meer geld te verdienen. Ook medicijnen zijn alles behalve gratis, en een burger zonder kanker is een burger die weer kan werken en geld verdienen.

De tegenstanders van de menswetenschappen en abstracte wetenschappen gebruiken de goedaardige neveneffecten van het kapitalisme als mascotte, maar het draait eigenlijk meer om geld. Je gaat naar de universiteit? Goed, maar hoeveel geld zal je verdienen in je toekomstige carrière? Zal je wel een job vinden? Dit is een vraag waar enorm veel L&W-studenten mee te maken krijgen, vaak van goedbedoelende familieleden en vrienden. Het is zeker het recht van een individu om rijkdom na te jagen. Maar moeten regeringen over de hele wereld hun burgers aanmoedigen om alleen maar dat na te jagen? Het lijkt er op, en grote delen van de maatschappij zijn maar al te gewillig om mensen via een vaag schuldgevoel van andere paden af te brengen.

Je bent waardeloos

Ik heb het woord 'schuldgevoel' gebruikt omdat deze kritiek een oud zeer raakt. In de economie van vandaag zijn de kunsten bang om spilziek over te komen. Het is waar dat filosofie en literatuur een hobby waren voor elitistische snobs die nooit moesten werken. Griekse filosofie beroemde er zich zelfs op, omdat ze toegepaste wetenschap zag als iets dat beneden haar waardigheid was. Plato ontwierp een ideale samenleving die geregeerd werd door dictatoriale filosofenkoningen, en in latere tijdperken was het studeren van kunst een typische bezigheid voor mensen die zich nooit zorgen moesten maken over een vast inkomen door echt werk. Ook astronomie was het voorrecht van de superrijken. En de vijanden van de kunsten zijn er erg goed in om dat beeld op te roepen - jongeren uit de hogere middenklasse die met veel plezier belastingsgeld verspillen om dingen te leren over boeken. Waarom kunnen ze niet iets 'echt' leren, of, met andere woorden, iets dat geldwaarde heeft?

Het feit is dat de mens- en abstracte wetenschappen geconfronteerd worden met een vraag die niet alleen een vals premisse heeft (het gaat niet om nut), maar bovendien ook één die niet eens op hen van toepassing is. Men kan ook met evenveel intellectuele oneerlijkheid vragen aan een student rechten wat die later zal bijdragen tot de cultuur waarin die leeft. Je kan ook aan een ingenieur vragen of zijn diploma hem in staat zal stellen om te gaan met een existentiële crisis.

Het is waar dat in een samenleving die zich toespitst op rijk worden, consumeren en geld uitgeven (en op die manier bijdragen tot de groeiende fortuinen van de superrijken) een kleine bibliothecaris of een werkloze filosoof geld kosten om te onderhouden. Willen filosofen, astrofysici en sociologen eigenlijk wel rijk worden? Misschien wel, als neveneffect van de dingen doen die ze graag doen. De waarde van hun job ligt echter precies in de menselijkheid van wat ze doen. Menselijkheid kan niet gemeten worden en wordt daarom uit de optelsom gehaald als een non-entiteit.

Non-entiteiten

De financiële industrie - een contradictio in terminis aangezien ze niets produceren - hebben een aantal deuken gekregen na de financiële crisis van 2008. Voordien echter, en ook grotendeels nadien, wordt een economiediploma nog steeds gezien als waardevol. Het is makkelijk je af te vragen wat een Master in de filosofie gaat doen om bij te dragen aan de samenleving. Maar hoe dragen financiële speculanten daartoe bij? Welke meerwaarde bieden zij aan het grotere goed?

Dit is het probleem met het huidige onderwijsmodel: in tegenstelling tot haar mission statement gaat het niet om jonge mensen omvormen tot verantwoordelijke volwassenen die hun burgerrechten en -verplichtingen serieus nemen, noch om hen meer tot mens te maken. Het gaat niet om deze studenten tot mensen te vormen die zullen bijdragen aan een sterke, gezonde en innoverende samenleving. Want als dat waar was, zouden regeringen en instituten meer geld uitgeven aan langetermijnonderzoeken met weinig praktische voordelen, zouden ze studenten aanmoedigen om andersheid op te zoeken via literatuur en taal, en, kort gezegd, meer de nadruk leggen op divergent, creatief nadenken, aanpassingenvermogen en individueel initiatief.

Het is precies die nieuwsgierigheid die er sommige mensen toe drijft om nieuwe ervaringen op te zoeken, en zaken te zien vanuit een ander perspectief en die samenlevingen in staat stelt om vooruitgang te boeken. Vooruitgang komt niet alleen van het vergaren van materiële rijkdom, maar omdat we nog geen manier kennen om deze voordelen te meten buiten een vage 'human development index', eist het neoliberale dogma dat we deze onkwantificeerbare aspecten gewoon helemaal dumpen.

Andersheid

In het door geld en rijkdom gedomineerde idee van hoe een maatschappij in elkaar hoort te zitten (en op veel vlakken al zo in elkaar zit) is er geen plaats voor andersheid. Vijanden van andersheid onderdrukken uiteindelijk niet alleen alles waar geen winst uit kan gemaakt worden, maar zullen door hun uitsluiting hiervan uiteindelijk ook de bron van creativiteit doen opdrogen die advocaten, dokters, economisten en ingenieurs met nieuwe principes, idealen en ongebruikelijke ideeën doet kennis maken. Door andersheid te vergrendelen en nieuwsgierigheid die slechts immateriële opbrengsten heeft te ontmoedigen, denkt men alleen op korte termijn. En het is precies dat kortetermijndenken dat de maatschappij in deze moeilijke situatie gebracht heeft.

Mensen zijn erg goed in zich vastklampen aan hun principes eens ze een keuze gemaakt hebben. Als een Middeleeuwse zieke zich slecht voelde na een bloedzuigerbehandeling, dan dachten de dokters van toen dat nog meer bloedzuigers de onzuiverheden in het bloed zouden wegfilteren. Sommige van de allerschrilste stemmen in het debat na de meest recente financiële crisis hebben gelijkaardige dingen gedaan: verre van toe te geven dat het huidige systeem een dringende nood heeft aan grondig onderzoek, beweren ze dat het systeem faalde omdat het nog niet extreem genoeg was. Dus wanneer regeringen erover denken om subsidies voor onderwijsprogramma's terug te draaien, zijn de eerste disciplines die eraan moeten geloven de talen, de kunsten, sociologie en abstracte onderzoeksprogramma's, wat nog meer mensen in studiegebieden duwt die worden geregeerd door het vigerende dogma. Het lijkt op de tweede cirkel van een vicieuze spiraal, en het begin van een konijnenhol dat we hopelijk niet helemaal tot op het einde zullen volgen.

maandag 11 april 2011

Lachen met poëzie

Poëzie wordt soms nogal lacherig onthaald, meer nog dan literatuur in het algemeen. Wat dat betreft heeft het iets gemeen met kunstvormen als ballet, conceptuele plastische kunst of opera - in de hoofden van veel mensen zijn het gekunstelde, elitaire cultuurvormen. Dat ga je niet veranderen door mensen plots te dwingen om poëzie te lezen of om naar optredens te komen. Bovendien voeden veel schrijvers dat elitaire imago zelf, door zich op een bepaalde manier te gaan marketen tegenover hun publiek. Daardoor ontstaat er een tamelijk negatief beeld dat 'de schrijver' per se een mensenhatende, intellectuele marginaal is. Sommigen vinden dat best, en het publiek begint dat na een tijd ook te verwachten.

De hoogdagen dat poëzie een breed gesmaakt kunstmedium was, zijn natuurlijk voorbij. Ik kan me ook niet meer voorstellen dat een opera nog een revolutie op gang zou brengen als in 1830, of dat boeken nog op een verboden lijst gezwierd worden omwille van hun onstichtelijke karakter. Als minder centrale kunstvormen als poëzie nog eens voor opschudding zorgen, is het omwille van het gedrag van de artiesten zelf, of omdat een kunstenaar zo ver gaat in het proberen bereiken van een schokeffect dat het iets zieligs heeft.

Omdat de kring van schrijvers in Vlaanderen en Nederland vrij eng is, en ernstige dichters zich nogal snel een onbegrepen, bedreigde diersoort voelen, is me ook vaak opgevallen hoe vrijblijvend en wederzijds sympathiek iedereen voortdurend probeert te zijn. Het is misschien een uiting van nostalgie om te verlangen naar een tijd waarin men nog sprak over poëticale opvattingen en daarover argumenteerde. De tijdsgeest is echter ook een uiting van onzekerheid over het eigen kunnen - ik ken een aantal jongere schrijvers, of mensen die die ambitie alleszins hebben, en een steeds terugkerend refrein is dat men bang is van de schaduw van al die gevestigde waarden.

Op de Nacht van de Poëzie zaten veel mensen in de Vooruit gedwee vooraan te luisteren naar een verzameling grotendeels bejaarde auteurs. Waarom die idolatrie? Waarom is er die drang om te bewijzen dat men ook een 'goed cultuurmens' is, ook onder schrijvers? Hoe vaak heb ik al niet gehoord dat een literatuurcoryfee één of andere nieuwe dichter of nieuwe stem introduceert met "persoon zo en zo plaatst zich in zulk en zulke traditie". En de nieuwe stem is blij toe. Ik zou er niet vrolijk van worden, van dat soort repressieve tolerantie.

Een kernprobleem van de Nederlandse literatuur is dat veel poëzie ook gewoon ronduit slécht is. Ik twijfel er geen seconde aan dat er zowel in Nederland als in Vlaanderen erg veel talent rondloopt. Maar door de drukkende last van een gefossiliseerd verleden, een krimpende kring literatuurliefhebbers en een algemene cultuur van vrijblijvendheid, merk ik dat er weinig geschaafd, bekritiseerd of gediscussieerd wordt. Kritiek wordt direct persoonlijk of blijft bij een boutade. Discussie is een ironische onderneming. Poëzie ruikt bedompt en stoffig, omdat ze dat grotendeels ook geworden is.

Als we toch in kapitalistische termen moeten redeneren: Vlaamse schlagerkoningen van weleer klagen graag dat het grote publiek hen niet (meer) respecteert en dat de media hen geen forum meer gunnen. Dat komt omdat ze weigeren in te zien dat ze een cultureel minderwaardig, formulaïsch product afleveren. Het is niet noodzakelijk slechter dan dat van een geprefabriceerde buitenlandse popster wiens nummers wel aanslaan, maar de schlagerkapiteins hebben nu eenmaal niet de financiële middelen om hun producten door de strot van hun consumenten te rammen.

Andere analogie. In "Buiten De Zone" werd gelachen met de minderwaardige kwaliteit van de meeste Vlaamse films die uit de periode stamden tussen de jaren '60 en de vroege jaren '90. Het laatste decennium trekken Vlaamse films echter opnieuw volle zalen, en behalve met de brave middle-of-the-roadproducties van Jan Verheyen, is het een industrie die men in Vlaanderen weer serieus kan nemen. Waarom? Een beter beleid, beter opgeleide filmmensen en vooral ook een wereld die zich er van bewust werd dat er een tandje moest bijgestoken worden om kwaliteit af te leveren.

Voor literatuur is er weinig geld. Het onderwijs verkwanselt systematisch kansen om meer te doen met literatuur dan enkele vrijblijvende leeslijsten, en van de weeromstuit is het dichterschap een mystiek instituut geworden. Deze generatie zal er niet voor zorgen dat poëzie terug een centrale, gemeenschappelijke cultuurbeleving wordt, en de vraag is of dat ooit zal gebeuren. Maar als ze er niet voor zorgt dat ze op zijn minst op tafel slaan om aandacht, professionalisme en betere kwaliteit, dan is ze nu al verloren.