Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling opiniestukken daarvan, want God weet dat er daar nog niet genoeg van bestaan. Mocht je je bij het lezen ervan afvragen: "kritiek hebben kan je wel, Anton, maar heb je ook oplossingen?" dan kan je 'De Nieuwe Staat' voor €0 downloaden. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 24 maart 2021

De ironie van incompetenten die oproepen tot excellentie

Al jaren krijgen we te horen vanuit de hoek van politici en opiniemakers dat we moeten durven uitblinken - vooral in het onderwijs, maar ook in ondernemen. Er is daarbij ook een hele zelfhulpindustrie die probeert om ons fitter, gezonder, slimmer en gelukkiger te maken. Toch zakt Vlaanderen jaar na jaar verder weg in kwalitatieve rangschikkingen van onderwijs en lijken cijfers rond mentaal welzijn en pakweg obesitas indien niet slechter te worden, alleszins niet beter. Wat is hier aan de hand?

Eerst en vooral: net zoals niet iedereen lang kan zijn, kan niet iedereen excelleren, want uitblinken is een relatief begrip. De gemiddelde ongeschoolde arbeider is geen professor, maar is wellicht aan stuk intelligenter en veelzijdiger dan de gemiddelde ongeschoolde arbeider in 1921. Technologie, maatschappij en ideologie waren toen een stuk duidelijker en eenvoudiger om te begrijpen, en op zijn beurt was die hypothetische arbeider een intellectuele reus vergeleken met zijn evenknie uit 1821, die niet eens kon lezen of schrijven.

Allen tegen allen kent weinig winnaars

Door een obsessie met de huidige relatieve stand van zaken, lijkt men soms uit het oog te verliezen welke gigantische vooruitgang er al gemaakt is. Die vooruitgang is de verdienste van erg veel factoren. Een erg belangrijke factor daarin is dat het een project is dat veel mensen samen aangaan. Precies daar lijkt me anno 2021 het schoentje te wringen.

Thomas Hobbes, de conservatieve filosoof die vaste prik is bij politici als Bart De Wever, waarschuwt in zijn geschriften dat een maatschappij die niet voldoende (hiërarchische) samenhang kent, uitmondt in een barbaarse strijd van allen tegen allen. De ironie is dat het neoliberalisme - geef het kapitaal vrij spel, individuele (economische) vrijheid voor alles, en alles komt vanzelf goed - dat o.a. De Wever aanhangt, precies leidt tot Hobbes' nachtmerrie omdat iedereen de concurrent wordt van iedereen.

Beunhazen boven

En zelfs als je de focus op excellentie versmalt naar "kansen geven aan wie wil excelleren", komt onze leidende klasse er bekaaid vanaf. In het Westen is sociale mobiliteit zo goed als tot stilstand gekomen en dat heeft onder meer drie desastreuze gevolgen: een groeiende kloof tussen rijk en arm, een blindheid bij de elite voor de situatie van iedereen die er niet toe behoort, en leiderschap op basis van afkomst of gehoorzaamheid in plaats van verdienste.

Om Shakespeare te parafraseren bereiken steeds meer mensen in de categorie 'succes'  de status van beunhaas, worden ze als beunhaas geboren of krijgen ze de beunhazerij toegestopt als ze iets willen betekenen. Diversiteit is enkel een smaakje of een reukje - onder de motorkap denken een Sihame El Kaouakibi of Lorin Parys heus niet zo anders als hun witte of hetero-evenknieën.


Geen grootse daden worden hier herdacht


Excellentie hoort een breekijzer te zijn dat nieuwe methodes, inzichten, technologieën en kunsten kan creëren en mee helpt om iedereen rondom verder te verheffen. Helaas zouden onze excellenties nog geen excellentie herkennen als het zich in hun eigen praatbarak zou bevinden. De particratie staat sterker dan ooit en incompetentie wordt niet alleen niet afgestraft maar royaal beloond met zitjes in intercommunales, raden van bestuur en tv-programma's.

Ideeënarmoede is troef, van Conner Rousseau tot Ben Weyts. Hoe kan je jongeren inspireren om te "excelleren" als je zelf nooit het goede voorbeeld geeft? Wie voelt zich opgeroepen om zijn best te doen als een catastrofaal incompetente ex-minister als Johan Van Overtveldt regelmatig nog opdraaft als autoriteit in zake financiën?

Expertise (niet) vereist

Het is heus niet alleen in de politiek dat die malaise zit, trouwens. Er zijn in Vlaanderen zo goed als geen denkers of opinieerders die tegen de rechtse stroom in gaan. De media voeren altijd weer dezelfde figuren op in altijd weer dezelfde programma's, ook al hebben ze geen bal expertise in het onderwerp ter zake, zoals komiek Urbanus die komt debatteren over #BLM. Wouter Duyck, die gretig de 'zesjescultuur' laakt, uit zich zelf even gretig en onironisch als een onoriginele denker die niet veel verder komt dan makkelijk weerlegbare rechtse platitudes.

De coronapandemie zag wel de opgang van echte experts. Je kan het eens of oneens zijn met hun stijl, toon of argumentatie, niemand kan ontkennen dat Marc Van Ranst, Steven Van Gucht en Erika Vlieghe competente experten zijn, en toen een klassieke beunhaas à la Lieven Annemans zich in het debat wilde wurmen, werd hij vrij snel terzijde geschoven. Natuurlijk haten figuren als Geert Noels, Jean-Marie Dedecker en Rik Torfs de virologen - ze leggen hun intellectuele tekortkomingen genadeloos bloot.

Schuldig bevonden: jij

Maar goed, uitmuntendheid is toch meer dan enkel politieke macht en invloed verwerven en in de media komen? Uiteraard. Sport bijvoorbeeld blijft een tak waarin excellentie altijd gewaardeerd blijft. Je kan niet doen alsof je een topcoureur bent als je geen koersen wint. Je kan je ook individueel toeleggen op gezond leven, intellectuele discipline of zorgen voor je welzijn. Maar ook daar is iets rots in ons koninkrijk.

Het kernwoord is hier 'individueel'. De grote vervuilers financieren al jaren campagnes om individuele consumenten aan te sporen om zelf afval te rapen, bijvoorbeeld. Daar komt bij dat als je faalt, dat het volgens de neoliberale dogma's van vrijheid en kansen grijpen, domweg je eigen schuld is. Een schuldgevoel dat ons elk nog meer wordt aangepraat als we niet het laatste nieuwe dieet volgen, toch nog tabak roken, liever frietjes eten in plaats van boerenkool.

De dissolutie van een solidair front

Ook progressieven gaan hier roemloos ten onder. Racisten, transfoben en dies meer worden persoonlijk gewraakt, maar de structuren waarin die gedijen blijven overeind. Wat is het punt van voor de zoveelste keer te analyseren uit wat voor extreemrechtse fake news-krocht barones Mia haar onzin haalt als de media haar steeds een megafoon blijven aanreiken?

Eens goed een fascist of een dommekloot je gedacht zeggen kan deugd doen zoals het deugd kan doen om te krabben waar het jeukt, maar het neemt de bron niet weg, verandert niets structureel en laat de marionettenspelers ongemoeid. Ook dat zou moeten veranderen. Met een strijd van allen tegen allen, ook op dit vlak, komen we er simpelweg niet.

Bestaat een maatschappij die echt excelleert?

Uitmuntendheid is altijd uitzondering - anders zou het geen uitmuntendheid zijn. En excellentie stuit ook altijd op weerstand omdat ze tornt aan de status quo van wat bereikbaar (of wenselijk) wordt geacht. Je kan je terecht de vraag stellen of zo'n maatschappij ooit kan bestaan, één die inzet op krachten die haar potentieel diepgaand kunnen veranderen en de macht uitdagen (daar heb ik het niet bij over extreemrechts, dat doet alsof maar enkel bestaande machtsverhoudingen nog dieper wil verankeren).

Misschien is zoiets niet mogelijk. Maar het mag ons niet tegenhouden om er collectief naar te blijven streven en onderweg de schimmels weg te vegen die talloze ideeën lippendienst bewijzen. Niet alleen geven die zelf het slechtste voorbeeld, ze verzetten zich passief of actief juist tegen wat ze beweren te willen bereiken.

donderdag 28 januari 2021

De elite en de valse cultuur van democratie

Elk jaar valt op 30 januari Gedichtendag. Aangezien ik zelf dit jaar 20 jaar dichten mag vieren, is het misschien een interessant idee om vanuit de poëzie te vertrekken om een aantal culturele en politieke thema’s te belichten rond cultuur, elitisme en democratie.

Gedichtendag passeert doorgaans met weinig fanfare, aangezien poëzie nu niet bepaald een populaire kunstvorm is en niemand er geld mee verdient. Net als opera, conceptuele kunst en postmodern theater zien velen poëzie wellicht als “moeilijk”. Een belangrijk verschil is dat je geen grote budgetten nodig hebt om gedichten te schrijven en dat in theorie iedereen het kan doen. Je moet alleen kunnen lezen en schrijven en er een klein beetje tijd voor maken. Dat is prachtig.

Zeepkisten en Tesla’s

Het probleem is dat poëzie bij een breed publiek vernauwd wordt tot twee categorieën: enerzijds lollige rijmpjes, anderzijds poëzie die meer te maken heeft me hoe het publiek denkt dat een dichter hoort te zijn (ongelukkig, liederlijk, excentriek) dan met het werk zelf. Dat is de erfenis van de Romantiek, waar een rechte lijn loopt van Charles Baudelaire over Jotie ’t Hooft en Charles Bukowski tot Delphine Lecompte.

Om mijn ergernis duidelijk te maken, moet je even meedoen aan een gedachtenexperiment. Stel nu dat er een Schilderkunstdag zou bestaan. En op die dag zie je veel mensen op sociale media de hashtag #schilderkunstdag gebruiken waarbij ze foto's en scans van kladjes posten die gemaakt zijn op minder dan 10 minuten tijd en het niveau niet overstijgen van de gemiddeld begaafde 12-jarige. Bijna niemand post serieuze schilderijen, een enkeling post wat klassiekers uit musea. Viert dit echt de schilderkunst? Toont dit appreciatie? Want dat is, mutatis mutandis, #gedichtendag.

Nu heeft poëzie eigenlijk al geen hulp nodig van buitenaf om belachelijk gemaakt te worden, dichters doen dat zelf al (al dan niet bedoeld) in overvloed, wat weer een andere discussie is. Maar het helpt zeker de zaak van de dichtkunst niet vooruit als gedichtendag bij velen de aanleiding is om doodsimpele rijmpjes wereldkundig te maken die hoogstens mikken op wat amusement, maar even ver van goede poëzie staan als een zeepkist van een Tesla.

Als je niet wil leren, is alles elitair

Onvermijdelijk valt dit argument slecht bij een aantal mensen omdat het ondemocratisch en elitair klinkt. Maar zou je als amateurvoetballer boos zijn dat je niet mag meespelen met de Rode Duivels? Sport is één van de laatste bastions waarin de combinatie van inspanning, talent en prestatie het hoogste schavot inneemt (gesmeerd door een onzalige hoeveelheid geld, natuurlijk). Geen mens zou Primos Roglic met de nek aankijken als hij geen zin heeft om een wedstrijd te racen tegen je grootmoeder.

In veel andere geledingen van de maatschappij heerst een vals gevoel van democratie: je buurman die het beter weet dan klimaatwetenschappers, je schoonmoeder die “niet gelooft” in vaccins, samen met de volksmenners die dit soort gedrag aanmoedigen voor politiek gewin. Veel dichters doen hier trouwens zelf volop aan mee. Ze beogen een vaag soort amusement en lijken meer bezig te zijn met dichter zijn dan zich te verdiepen in dichtwerk, en wie daar kritiek op heeft, die wordt weggezet als een elitaire zuurpruim.

De Nederlandse schrijver Guus Kuijer zei nochtans: “Alles is elitair wanneer je weigert leerling te zijn. […K]unst zou elitair zijn wanneer jou de mogelijkheid werd onthouden je die kunst eigen te maken. Het beluisteren van muziek met een hogere moeilijkheidsgraad dan die van Marco Borsato is niet voorbehouden aan een elite, maar aan mensen die bereid zijn een inspanning te leveren, mensen die leerling durven te zijn.”

Gelijk aan de start, andere finish

Voor opera en doorgedreven klimatologie moet je heel wat tijd, inspanning en geld over hebben, en dat heeft niet iedereen – in die zin zijn beide wel degelijk elitair. Maar dat geldt niet voor poëzie. Bibliotheken zijn open voor iedereen en je hebt geen diploma nodig om iets op te schrijven. Trouwens zijn de grootste aanwakkeraars van frustratie en woede tegenover een vermeende elite deel van diezelfde elite. Jan Jambon heeft een opera-abonnement en Donald Trump is miljonair.

Democratie, ook in cultuur, betekent onder andere zo veel mogelijk kansen krijgen om gelijk aan de startmeet te komen. Het betekent niet dat iedereen tegelijk over de finish komt of dat elke mening evenveel waard is. Onze erg complexe cultuur is juist gebouwd op het wederzijds erkennen van verschillende expertise. Je laat je wc toch ook niet ontstoppen door je slager en je laat je brieven toch ook niet bezorgen door de vuilniswagen?

Dus wie poëzie echt een warm hart toedraagt – en God weet dat er niet zo veel van zijn! – lees dan alsjeblieft. Lees bundels, lees losse gedichten, lees het werk van mede-amateurs, maak er je eigen gedachten over, laat ze op je in werken. Je hoeft heus geen Master te zijn in literaire wetenschappen. Geniet van eenvoudig en mooi, van complex en lelijk, van verwarrend en geruststellend, maar onthou vooral de enorme, rijke veelheid van dit kunstveld.  

Mens zijn is creatief zijn

Niets moet, alles mag. Je kan naar hartenlust aquarelleren, je eigen songs opnemen, een dansje maken voor TikTok of aan karaoke doen. Creatieve expressie is net zo menselijk als vreugde, verdriet en tegen je zin opstaan. Ook geestige verzen, Jotie ‘t Hooft en simpele rijmen hebben hun plek in onze cultuur, maar het is niet de enige plek. Ik zou dus zeggen: gebruik Gedichtendag eens om je horizonten te verbreden. Ik garandeer je dat je er niet slechter van zal worden.

zondag 27 december 2020

Fragmentariërs: post-FAQ

Liebe Jungs und Mädel, ‘Fragmentariërs‘ is nu officieel 3 maand uit, en voor de doorzetters kan het zijn dat die nu al door het boek zijn, of toch een fiks eind gevorderd. Zo niet, is dit hoe dan ook goed als een naschrift voor gelijk wie nog bepaalde vragen zou hebben tijdens of na de lectuur.

Is alles in ‘Fragmentariërs’ echt gebeurd?
Nee.  

Wat wel en wat niet?
Niet belangrijk.

In dat boek rook en zuip je heel wat af. Is alles ok met jou?
Natuurlijk is niet alles ok met mij, maar zoals ik eerder aangaf spreek ik hier in een soort verhoogd realisme, zo veel op één week roken en drinken heb ik wellicht al gedaan, maar de laatste keer dat dat voorviel moet 5 jaar geleden zijn, als het niet meer is.

Ik vind je een goorlap.
Ben ik ook. Kom me maar niet kinkshamen.

Ik heb een fout gevonden!
Laat me dat gerust weten. Ik weet intussen al dat er ergens een zinnetje half in het vetjes staat waar dat niet had gemoeten, en dat een personage dat Duits spreekt eerst ‘Woloschin’ zegt en dan ‘Voloshin’, wat dus uiteraard niet klopt. Ook het Juvenalis-citaat is fout. Recht te zetten als er ooit een tweede druk komt.

Er zitten te veel personages in het boek.
Misschien, maar van mijn kant heb ik een hekel aan romans waar het hele universum van een hoofdpersonage maar blijkt te bestaan uit drie mensen. Bovendien is één van de thema’s van het boek de soms onvatbare veelheid van het bestaan, dus dan kan je moeilijk komen aanzetten met enkel een buurman, een geliefde en een vervreemde tante of zo.

Zijn je personages echt gebaseerd op bestaande mensen? Wie?
Meestal wel en dat ga ik uiteraard niet zeggen, ik kan alleen vertellen dat Tyr gebaseerd is op mijn lieve huiskater Odin, die helaas in februari 2020 overleden is aan een aangeboren hartafwijking. De kleine man is 12,5 jaar oud geworden.

Ben je nadien effectief verhuisd, weg van de Heuvelpoort?
Ja, ongeveer vier maanden later. 

Ik heb mezelf herkend en ik ben er niet zo gelukkig over.
Het had erger gekund, geef toe. 

Bestaan alle muzieknummers die in het boek voorkomen echt?
Ja. Ik wilde eens wat anders dan het zoveelste boek waarin qua muziek ofwel jazz, klassiek of rock uit de jaren ’60-’90 blijkbaar de enige verantwoorde muziek is die past bij een schrijversbestaan. Gert-Jan van Bestaansreden (zeker eens checken) was zo vriendelijk er een playlist van te maken op YouTube.  

Waarom zitten er geen gekleurde of LGBTQ+-hoofdpersonages in je boek?
Ik heb erg weinig queer vrienden en ik heb geen gekleurde vrienden, hoe jammer ik dat ook vind. Dat wil niet zeggen dat zulke personages niet aanwezig zijn in het boek als deel van de voornoemde veelheid, maar ik koos ervoor om me te focussen op mijn dichte belevingswereld, die node altijd erg wit geweest is (en waar ik lang ook geen erg in gehad heb).

Ik ben het oneens met [X].
Laat maar horen.

Ik vind je onbeleefd/respectloos tegenover [X].
Ik dacht, het is eens wat anders, een witte hetero die voor de verandering andere witte hetero’s in de zeik zet in plaats van te proberen scoren met plat seksisme, “ironisch” racisme, validisme of minachting voor de werkende klasse.

Signeer je ook exemplaren?
Ja.

Raak je uit de kosten?
Met hoe de zaken er nu voor staan, net, en dat is prima. Bedankt aan iedereen die zich tot hier toe een exemplaar heeft aangeschaft. Maar laat je dat niet tegenhouden om je eigen pièce unique te bestellen voor jezelf of als cadeau. Met een klein beetje geluk kan je je exemplaar nog krijgen voor Oudejaar.



dinsdag 22 december 2020

Conner Rousseau heeft beter personeel nodig

Een centrum-linkse leider afvallen lijkt misschien iets typisch voor hard- en extreemlinks, en centrum-linkse mensen mogen dat graag beklagen omdat dat soort fragmentatie de macht van rechts en centrum-rechts enkel vergroot. Maar na Conner Rousseaus zoveelste uitschuiver - niet tegenover een vermeende linkse orthodoxie, maar tegenover kennis, logica en wetenschap - kan men niet blijven zwijgen. Samenvattend: Rousseau stelde zich op 12/12 vragen bij het idee dat ook onverantwoordelijke, asociale en (potentieel) criminele mensen kinderen mogen hebben.

Slechte ouders en hoe die te verhinderen

Geen mens zou zeggen dat mensen die zich onverantwoordelijk of (zelf)destructief gedragen er goed aan zouden doen om te beginnen aan kinderen. Helaas gaat die stelling bijna altijd over mensen aan het lagere eind van het socio-economische spectrum. Rijke en welvarende mensen die minstens even slechte potentiële ouders zijn, worden van een dergelijk idee gespaard. Om het met een boutade te zeggen, als een maatregel disproportioneel armere mensen betreft, is die niet rechtvaardig.

Slechte ouders zitten in alle socio-economische klassen. De enige echt democratische manier om te verhinderen dat mensen slechte ouders worden, is opleiding en sociale druk, en/of een systeem dat ervoor kan zorgen dat slecht behandelde kinderen terecht kunnen komen in een beter gezin, niet ingrijpen in het seksleven van potentiële ouders.

Nederlands leren en Sanna's bh

Het probleem met Conner Rousseaus uitspraak gaat helaas verder dan enkel die uitspraak. In 'Gert Late Night' had hij het nog over de fictieve migrant die weigert Nederlands te leren, op Twitter en Instagram toonde hij een foto van zichzelf met enkel een blazer aan uit solidariteit met de Finse premier Sanna Marin, die kritiek kreeg omdat ze op één officiële foto geen bh droeg.

In beide gevallen leek het me dat Rousseau simpelweg niet goed had nagedacht over zijn acties. Ja, Nederlands leren is erg belangrijk voor migranten, maar Vlaamse instituten doen daar al alles aan om dat mogelijk te maken. Het is alsof je zou zeggen dat je er tegen bent dat mensen cement eten. En je borst ontbloten als man is absoluut niet hetzelfde als geen bh dragen als vrouw, laat staan in een positie van politieke macht.

Conner heeft betere 'matekes' nodig

Sommige mensen lijken in die uitspraken en daden van Rousseau een uitgestoken hand te zien naar rechts. Ik denk zelf eerder aan hoe ik over de samenleving dacht toen ik 20 was. Ik dacht toen zelf dingen als "waarom hoeven mensen 75 te worden?" of "waarom moeten we als maatschappij de kosten opvangen voor mensen met het syndroom van Down te laten leven?". Voor wie het zich afvraagt: het is omdat elk menselijk leven evenveel waard is en dat als je begint aan daarin onderscheiden te maken, dat je op weg bent naar nazisme.

Maar - waar zijn de kritische stemmen in Rousseaus omgeving? Waarom heeft hij duidelijk geen soort leraar die dergelijke dwaze uitspraken afblokt? Je kan gerust veel zeggen over hoe Guy Verhofstadt in de jaren '80 bekend stond als 'da joenk' en de 'baby-Thatchter', maar onder invloed van o.a. zijn broer evolueerde hij tot een veel gematigdere staatsman. Maar welk 'mateke' kan Rousseau beïnvloeden?

De fictieve gematigd rechtse Vlaming

En hier is nog een ding: misschien denkt Rousseau dat hij met dergelijke uitspraken aantoont tegenover rechts Vlaanderen dat hij ook best ok is met bepaalde vormen van het onderbuikgevoel tegenover armen en migranten. Maar die mensen gaan nooit voor hem stemmen. Zoals Filip Dewinter opmerkte: "het origineel is beter dan de kopie." In de Verenigde Staten jagen Democraten al decennia zogezegd gematigde Republikeinen na, maar dat is keer op keer mislukt.

Zelfs in de Verenigde Staten proberen de evenknieën van Rousseau in de Democratische Partij nu te claimen dat de reden dat Joe Biden de verkiezing voor het presidentschap niet met méér stemmen won, lag aan de radicale ideeën van hun linkervleugel. Maar uit data blijkt juist dat die radicale vleugelkandidaten net meer stemmen wisten te halen.

Goede oude linkse adviseurs

Dat brengt me tot m'n kernpunt: ik denk dat het beter zou zijn als Conner Rousseau zich zou laten adviseren door door de wol geverfde linkse stemmen, en ook van hen zou willen leren. De sp.a (of Vooruit) is nog altijd belangrijk in België dankzij de PS in Wallonië. Hij kan het zich niet permitteren om om de zo veel tijd studentikoze ideetjes te lossen op tv, of om te denken dat hij maar kan zeggen wat hij wil op sociale media.

Ik geloof heel erg graag dat Rousseau het beste voor heeft met de Vlaming, in tegenstelling tot het merendeel van extreem- en centrum-rechts, dat enkel lijkt in te zitten met hoe veel rijker de rijken nog kunnen worden. Maar dat hij zich dan laat omringen door betere adviseurs, volkse intellectuelen en slimme mensen, niet enkel door zijn eigen opbubbelende ideeën.

dinsdag 1 december 2020

Fragmentariërs: voorwoord van Lectrr

Ik hààt het om mezelf te promoten. Daarom dat ik voor ‘Fragmentariërs’ cartoongod Lectrr vroeg om het voorwoord te schrijven, en warempel, dat deed hij (en je kan het boek nog altijd hier kopen):

“In ver vervlogen tijden, toen ik nog een pedante twintiger was die de literaire wereld wou veroveren, maakte ik er een sport van om heelder hordes kunstenaars, poëten en schrijvers te ontmoeten. Ik hield literaire avonden en organiseerde tentoonstellingen en waagde me verdomme zelfs online om mijn gelijken te ontmoeten. Wist ik veel dat ik in plaats daarvan mijn meerdere zou ontmoeten.

Mijn eerste kennismaking met het werk van Voloshin was een gênante vertoning. Mijn ego schrompelde ineen bij het lezen van zoveel literair vernuft. Ik herinner me het torpederen van mijn literaire ambities als was het gisteren, ook al zijn inmiddels eonen verstreken. De teksten en verhalen van één enkele jongeman waren hiervoor verantwoordelijk. De snoodaard in kwestie was Anton Voloshin, ook al opereerde hij toen onder een andere nom de plume. Zo gaat dat. Genieën vervellen te pas en te onpas van identiteit. U heeft het van iemand met meer pseudoniemen dan hoofdhaar.

Voloshin schiep als puisterige melkmuil al werelden waar Frank Herbert enkel van kon dromen en hanteerde een pen die meedogenloos virtuoos en bijwijlen vilein was. Ik zag het met lede ogen toe, en besloot dan maar illustrator te worden en later cartoonist. Meermaals heb ik me aan een visualisering van het werk van Voloshin gewaagd, en later hebben we even aan een graphic novel gewerkt. Geen idee waarom dat nooit wat is geworden, die herinneringen zijn verdwenen in de nevelen van de tijd.

Maar om op het werk van Voloshin terug te komen: het is me compleet bijster waarom geen enkele Grote Grachtengordel-Uitgever smekend op zijn knieën over de Gentse kasseien is komen kruipen om Voloshin tot de hogere regionen van het Pantheon der Grote Schrijvers te mògen katapulteren. Zulks is onbegrijpelijk en onvergeeflijk. Ik heb het mijn persoonlijke missie gemaakt om hen daarover aan te spreken en binnenkort ook eens in een paar Amsterdamse brievenbussen te gaan kakken. Begrip opbrengen voor zoveel miskenning kan ik niet.

Misschien is Voloshin in de verkeerde tijd geboren? In een tijd waar copywriters van reclameslogans meer lezers hebben dan prijswinnende novellisten. Misschien is hij in het verkeerde land geboren? In een land waar men lyrischer wordt van de tekst van André Hazes dan van poëzie.

Of misschien is Voloshin in het verkeerde lijf geboren. Hij had een verdomd lekker Victoriaans wijf kunnen wezen, als je het mij vraagt.  Maar het is nu zoals het is, en u houdt een bijzonder boek in uw handen. Wees er verdomme spaarzaam op. Koester het. Vertel aan uw vrienden en vriendinnen dat dit de pennenvruchten zijn van de man die Lectrr de loef af stak, en steekt, op literair vlak en daar nog mee wegkomt ook.

En als er ooit weer boekenverbrandingen komen, bescherm dit boek dan met uw leven, opdat toekomstige generaties hier nog van kunnen genieten. Het is het minste wat we kunnen doen voor toekomstige generaties nadat we al de rest naar de kloten hebben geholpen.

Lectrr
16 juli 2020
Gent”



zaterdag 31 oktober 2020

Mannen haten

De eerste keer dat ik iets las als “ik haat mannen” of “die, cis scum”, deed dat me weinig. Ik voelde me niet aangesproken en zag het als een komische overdrijving van de strijd tegen het patriarchaat, maar misschien moet ik voor een fiks pak lezers even mijn fiets in achteruitmodus zetten. Wie bekend is met al die terminologie mag gerust de volgende paragraaf overslaan. Ik haal even adem en zet koffie.

Het ‘patriarchaat’ betekent niet dat er een sinister complot is van oude mannen die samen kijken hoe ze best vrouwen en LGBTQIA+ kunnen onderdrukken. Het is, jammer genoeg, nog altijd een simpelweg correcte omschrijving van de meeste landen in de wereld, waar (hetero)mannen het grotendeels voor het zeggen hebben, waar de meeste gewelddadige misdadigers, terroristen, verkrachters en zo verder mannen zijn, en waar slachtoffers van seksueel geweld weggelachen worden, of aangepraat worden dat het allemaal maar hun eigen domme schuld is. 

Als je me niet gelooft, verklaar me dan even waarom zowat 90% van alle politieke, zakelijke en religieuze leiders in de wereld man zijn. Verklaar me dan waarom bijna alle terroristen en oorlogsmisdadigers mannen zijn. De verklaring “maar het zit in de natuur” is belachelijk. Het zit ook in de menselijke natuur om elkaar de schedel in te slaan, naakt rond te lopen en te schijten waar het ons uitkomt. Wat is beschaving anders dan één lange beteugeling van onze ergste impulsen?

Soit.

De laatste maanden/jaren echter zie ik steeds vaker uitspraken opduiken als “I hate men” of “men are trash”, met als orgelpunt het boek ‘Mannen, ik haat hen’ van de Franse schrijfster Pauline Harmange (zie voetnoot 1). En ik kan het niet ontkennen – dat raakt me. Wat nog erger is, ik heb vaak het gevoel dat dat onterecht is, maar ik zeg er niets over. Immers, als witte heteroman sta ik zo goed als helemaal bovenaan de sociale pikorde in de wereld, en veel mannen die door zulke uitspraken boos worden, blijken helaas de beste voorbeelden van patriarchale idioten die komen aanzetten met onnozele argumenten als “o en wat als je had gezegd dat je zwarte mensen haatte, HMMM?” (racisme is een systeem, niemand discrimineert witte heteromannen op de arbeids- of woningmarkt) of “wel ik ben pro-vrouwenrechten maar zo overtuig je me ook niet!” (terwijl die mannen nooit één vinger hebben uitgestoken om vrouwenrechten te verdedigen).

Dat neemt niet weg dat dergelijke veralgemenende uitspraken op zijn minst laagste gemene-delerstatements zijn die niemand helpen, en op z’n ergst grove en ongenuanceerde biopolitiek (zie voetnoot 2) rechtvaardigen.

Het klopt dat er veel te weinig heteromannen bestaan die inzien dat onze wereldorde fundamenteel onrechtvaardig is en dat er veel mannen zijn die bewust of onbewust vrouwen pijn doen. Dat die mannen daarbij net zo goed slachtoffer zijn van patriarchaal denken, dat zegt dat een man vooral een emotieloze veroveraar moet zijn, laat ik even achterwege, want als je de pijn of de angst hebt ervaren van wat pakweg een afgewezen man kan doen, dan begrijp ik dat je je daar niet mee inzit. Je vecht namelijk voor je leven.

Maar “I hate men”. Komaan. Verlaag je je dan niet tot dezelfde performativiteit die vooral moet tonen dat je de meest radicale persoon in de kamer bent? Besef je dan niet dat je daarmee enkel het denken voedt dat mannen en vrouwen fundamenteel anders zijn, dat sommige mannen zich laf afkeren van de sociale strijd en zeggen “zie wel, ik kan niet beter, ik moet wel een zak zijn.” Nee, het is zeker niet aan mij om te zeggen wat vrouwen al dan niet moeten doen en zeggen. En nee, aan naïeve centristen die zich verslikken in hun thee als iemand een vuil woord gebruikt, hebben we ook niets. Maar eveneens is ideologisch purisme nutteloos behalve voor het ego.

“Men are trash.” Maar toch altijd opnieuw daten met misogyne hipsters. “I hate men.” Maar toch altijd blijven reageren op DM’s van een getrouwde vent. “Gelijkheid!” Maar toch verveeld zitten met het feit dat je date voorstelde om de rekening op restaurant te splitsen. “Ugh ik zou wel een lief willen maar ik heb enkel maar aantrek bij foute mannen!” maar nooit zelf op een leuke man af stappen en liever blijven wachten in je toren.

Niemand is perfect. Aangezien ik ben opgegroeid als witte, heteroman is er ongetwijfeld bij mij ook seksisme, racisme enz. naar binnen geslopen, ook al doe ik mijn best om anders te zijn. En ja, reactionaire krachten zullen altijd klaar staan om wat je ook zegt en doet te zien als een lage aanval op henzelf. IS, Schild & Vrienden, Sharia4Belgium en de Kerk zullen je altijd als minderwaardig zien. Jammer genoeg geeft je dat echter niet zelf het recht even bot en exclusionair te zijn, want zo kan je eindigen in een situatie waarin veel Britse radicale feministen transmensen uitsluiten of veel Gentse Turken zwaar racistisch uit de hoek komen tegenover Bulgaren en Roma.

Het kan me niet bijzonder veel schelen wat individuen over mij denken (wat natuurlijk een groot voorrecht is!). Ik probeer mijn privileges in te zetten om op mijn kleine manier een betere wereld te kunnen nalaten voor mensen die niet zijn zoals ik. Maar als je als lid van een minderheid of minder machtige groep heel goed weet wat het is om enkel beoordeeld te worden op hoe je geboren bent of hoe je eruit ziet of hoe je je kleedt, waarom dan andere mensen kwetsen op dezelfde manier? Ook al is die kwetsuur maar een grammetje van wat je soms zelf voelt. Het betekent niet dat het ok is om anderen ook te kwetsen. “Ik haat mannen.” Het blijft een uitspraak die ik moeilijk vind om te verteren.

Voetnoot 1: Harmanges boek was een perifere publicatie met een oplage van 400 exemplaren tot die werd opgepikt door het Franse ministerie voor gelijkheid en werd afgebrand als mannenhatend. De controverse deed de rest.

Voetnoot 2: ‘Biopolitiek’ is een begrip ontwikkeld door de Franse filosoof Michel Foucault, die erg pessimistisch stelde dat zelfs als je een bepaalde maatschappij probeert te veranderen, je toch onvermijdelijk wordt waar je tegen vecht precies omdat je in die wereld grootgebracht bent.

zaterdag 3 oktober 2020

Een fragment uit 'Fragmentariërs'

De officiële lancering van ‘Fragmentariërs’ laat nog eventjes op zich wachten, maar je kan het boek nu al kopen (op Boekjeswebshop en Bol). ‘Fragmentariërs’ is een knotsgekke roman met plezier voor het hele gezin, als je gezin tenminste hopeloos verslingerd is aan nutteloze filosofie, linkse politiek, drank en seks. Op Boekjeswebshop kan je zowel de paperback als de e-book bestellen, op Bol enkel de paperback. 

Hier heb je alvast een voorsmaakje. 

 

De regen tikt gezapig tegen de zwarte koepel boven m'n hoofd, die me tevens de helft van het gezichtsveld ontneemt, dus hou ik goed het trottoir in de gaten om tijdig andere voetenparen mijn richting uit te zien komen. Er zijn niet veel mensen op straat en de wind rukt onaangenaam nijdig aan de steel van de paraplu. Waar zijn die laatste warme dagen van de oneindige nazomer van het vorige weekend naartoe? Ik ben onderweg naar één van de lokale supermarktjes voor het dagelijks brood.

Als ik probeer te laveren tussen twee aan een verkeersbord vastgemaakte fietsen en een voorgevel, kom ik vast te zitten achter een traag bewegende, oude man met serieus wat spek op overschot. Hij beweegt loom en ongecoördineerd. Waarom beseffen sommige mensen niet wat voor ruimte ze innemen in het publiek? Ik koester dezelfde ergernis tegenover mensen die bij het betreden van een drukke trein pal voor je neus blijven stil staan, rondkijken, dan hun rugzak af zetten en dan pas gaan zitten, in plaats van de rugzak eerst af te zetten, vooruit te schuiven en in één beweging te gaan zitten. Sommige vrienden vinden die efficiëntie-ergernissen met het dagelijks leven van me amusant, sommigen vinden me een mopperkut. Ik vind vooral dat ik gelijk heb.

Ik ga naar de Delhaize, hoewel de Spar enkele meters dichter gevestigd is bij m’n appartement. De Delhaize is kleiner maar goedkoper en het personeel is er pakken vriendelijker. Bovendien heb je er een self-kassa en hoef je niet om sterke drank te vragen aan de kassabedienden, die in de Spar in twee varianten lijken te komen: nukkig of luid. Enkel hun werkstudenten ontsnappen aan dat paradigma, maar die blijven er nooit lang. Zo werd ik ‘ns door een cassière in de Spar met een scheef oog aangekeken toen ik sigaretten vroeg.

“Beetje verslaafd, ja?”

“Tja, eigenlijk wel.”

Wat moet je anders zeggen.

“Ja, iedereen heeft zijn verslavingen hé. Weet je waar ik aan verslaafd ben?”

Ze was een behoorlijk volumineuze vrouw dus ik had iets als “snoep” verwacht.

“Nee.”

“Bananen! Onlangs heb ik er veel te veel gegeten in één keer. Geen aanrader.”

“Dat kan ik me voorstellen.”

“Echt, nooit doen. Ik was daar niet goed van.”

Ik knikte en grijnsde een versteende grijns terwijl de andere klanten hard deden alsof ze op dat ogenblik op Mars waren. Een andere keer slaagde ik erin een kassierster onbedoeld te schofferen toen ik een slecht humeur had. Ik wilde vodka. De kassierster in kwestie kwam altijd zeer ernstig over, met een streng knotje in haar donkere haar en een gecrispeerde houding. Ze sprak ook steeds zeer keurig.

“Vodka? Bedoel je normale vodka?”

“Wat, heb je rare vodka ook misschien?”

Ze keek alsof ik haar zo net een klap in haar gezicht had gegeven en haalde woordeloos een fles witte Eristoff. Na die keer gunde ze me geen vriendelijk woord meer.

De meest irritante werkneemster in de Spar was een vrouw van middelbare leeftijd die elke zin riep en zich vrolijk uitdrukte per gemeenplaats. Onder andere had dat tot gevolg dat ze ‘ns een klant na me, die toevallig zwart was, in afschuwelijk Steenkolenengels aansprak alsof hij Zwarte Piet in hoogsteigen persoon was. De man liet het zich met een bedeesde glimlach welgevallen, met een uitdrukking die verried dat hij dit soort praktijken helaas gewoon was.

“And don’t steal anything hey!”

“Godverdomme,” dacht ik toen, “wat leven we in een kankerracistisch kutland als dit nog zonder commentaar kan passeren.”

Natuurlijk zei ik zelf ook niets, bezig als ik was met het inladen van frisdrank en erwtjes in blik in m’n plastic zak, om zo snel mogelijk te maken dat ik ‘m daar smeerde.

Nee, dan liever de Delhaize. Daar werkt onder andere een meisje dat Roman en ik de ‘Renaissance-chick’ noemen omdat we haar naam niet kennen, een roodharige Nederlandse met een bleek gezicht. Ze lijkt weggelopen lijkt een zinnelijk portret van één of andere Vlaamse of Hollandse meester. Ik doe altijd m’n best om niet met haar te proberen flirten, want ik kan me voorstellen dat cassières zich daar dood aan kunnen ergeren. Ze zitten daar ook enkel om geld te verdienen, niet omdat ze complimenten in ontvangst willen nemen van gerateerde dichters.

Er zijn mensen die houden van supermarkten. Jelka is dol op de Albert Heijn. Inna vond het geweldig om in vreemde landen supermarkten te verkennen. Voor mij zijn het plaatsen waar ik zo snel mogelijk binnen en buiten wil en er hoogstens kan doen aan interessante observaties maken over de menselijke natuur, die zelden verheffend uitvallen.

Het is rustig in de Delhaize. Ik snij op het gemak een volgranenbrood en snuister vervolgens rond bij het vlees om te besluiten dat ik zin heb in spek. Met berusting laad ik een fles vodka in m’n mandje, maar geen chips of nootjes. Ik krijg al genoeg zout binnen. Onderhand zouden wetsdokters, als ik morgen plots dood zou vallen, in m’n nieren al een bescheiden zoutmijn kunnen beginnen exploiteren.

Zijn supermarkten echt de dood geworden van de lokale kleine handelaar? Mijn moeder, toen die nog een bloemenwinkel openhield, kloeg daar in elk geval over en ging bewust gaan winkelen bij de slager, de kruidenier en godbetert de verf-, tapis plein- en schrijfgeriefwinkel. In deze buurt zie ik alleszins nog veel detailhandelaars, met onder andere een slager die elk jaar deftiger en meer hogere middenklasse lijkt te worden, drie bakkers, een krantenwinkel waar je koffie kan drinken, een boekenwinkel en een stuk of wat andere middenstanders die niets minder dan m’n sympathie verdienen, maar die helaas wel niet zo vaak m’n centen over hun toog zien rollen.

Een cliché onder marketingmensen is dat klanten tegenwoordig betalen voor een ervaring in plaats van een product, maar dat lijkt me praat voor wie het zich kan veroorloven. Ik betaal in de eerste plaats nog altijd voor producten. Was de Spar ondanks zijn onbetamelijke cassières goedkoper, ging ik er ook vaker. Intussen is in het winkelmandje ook (magere) boter en (magere) hesp verschenen, samen met een doos eieren die bij hoog en bij laag volhoudt dat er producten in zitten van kippen “met vrije uitloop”. Gaan klanten dat ooit persoonlijk gaan controleren bij die kippenboeren? Ik twijfel aan het waarheidsgehalte van al die groene en ecologische labels, maar ik laat me er tezelfdertijd toch door ringeloren. Dat is de existentiële tweespalt van de moderne consument die wel het goede wil doen, zolang het weer niet te veel moeite kost. Zo ben ik ook niet blind voor het lijden dat dieren moeten doorstaan in de route die ze afleggen naar mijn braadpan, maar ik heb er nog niet minder vlees door gegeten. Het maakt me deel van het probleem, dat besef ik.

De self-kassa’s zijn dicht omdat er te weinig klanten in de winkel zijn. De Renaissance-chick staat achter haar kassa. Terwijl ik m’n producten op de band laat wegrollen en zij die plichtsgetrouw inscant, sta ik er bij stil dat ze nu al minstens drie jaar in Gent woont, en nog altijd dat Nederlandse accent heeft. Verliezen Nederlanders dat ooit, of blijven ze kleven op het niveau van een Jan Boskamp, die in alles een eeuwig expanderende, stereotype ‘Hollander’ gebleven is, maar z’n taal af en toe doorspekt met belgicismen of raar uitgesproken woorden?

“Graag sigaretten, ook.”

Het Renaissance-meisje glimlacht professioneel en zet met een knop de tabaksschatkamer open, die aan de muur bevestigd is. De Gauloises liggen onderaan, zoals gewoonlijk.

“Dat is dan €36,84,” zegt ze nadat ze als laatste item m’n pakje ingescand heeft en de schatkamer weer op slot gaat. Ik heb m’n kaart al in de aanslag en betaal daarmee zonder veel poespas. Achter mij voel ik al de schaduw van fort van een kerel in een werkmansplunje, met stof in z’n haar en met grote, ruwe handen. Hij spreekt met een plat Gents accent en dat mag ik graag horen in tijden waarin veel mensen van Antwerpen en Brabant denken dat Gentenaars de naam van hun eigen stad als “Hent” uitspreken. Dat komt door de zwermen West-Vlamingen die zich hier al twee decennia lang aan het vestigen zijn. Niet dat ik dat die mensen kwalijk neem. Ik kan me voorstellen dat de vooruitzichten van wonen in Kortrijk, dat al een miljoen jaar door de tsjeven geregeerd wordt, of wonen in Bruges-la-Morte weinig ondernemende, hippe jonge mensen aanspreekt.

“Nee, niet nodig,” zeg ik als het meisje me m’n kasticket wil overhandigen. Opnieuw glimlacht ze en wenst ze me in haar schattige Nederlands-Nederlands een prettige dag. Ik kan het niet laten van breed terug te glimlachen en ga de winkel uit met m’n stevige tas vol eten en drinken.

 

Ik steek over en passeer de plaats waar Jelka werkt, een kantoor dat zich specialiseert in het uitzenden van jonge mensen om fondsen te werven voor ngo’s. Ik zie haar door het venster zitten met haar rug naar me. Ze is aan het telefoneren, dus ik wandel verder.

Stevig snuif ik de lucht op en ik merk een erg lichte geur van zand en zee. Het doet me zin krijgen om m’n auto in te stappen en naar de kust te rijden. Ik mag dan wel door en door een Gentenaar zijn, met de R om het te bewijzen, maar de kust stal m’n hart al toen ik kind was, vooral in de winter en de herfst, als er weinig mensen waren, de tearooms slechts het terrein van welgestelde bejaarden, en de zee zelf nog grijzer en vager was dan anders. In de verte kan je dan regenbuien zien aankomen vanuit Engeland of verder en zwalpen lelijke boten en ferry’s rond aan de einder. Mensen in onmodieuze regenjassen laten er hun honden uit en er raakt overal zand in. Daar hou ik van.

Eén van m’n vroegste herinneringen gaat terug naar de zee, overigens. Ik moet toen een jaar of drie geweest zijn, en een tante van me staat aan de overkant van een plas die overgebleven was waar het water zich bij eb had teruggetrokken, wijdbeens en met open armen klaar om me op te vangen als ik door dat ondiepe water durf te rennen. Dat durf ik. Zij heeft er meer pret in dan ik, want ik weet dat dat water helemaal niet diep is en dat ik er ook niet bang van hoef te zijn.

Een andere herinnering is dat ik met de grootouders langs moederszijde verbleef in een appartement aan de zeedijk van Oostduinkerke en dat ik ’s nachts niet kon slapen. Door m’n smalle venster zag ik toen de zee zoals ik ze nog nooit had gezien. Het was stormtij, en het water stond angstaanjagend zwart, wild en dicht. Toch wist ik dat ik niet bang hoefde te zijn. Dat is merkwaardig voor een jongen die van veel dingen bang was.

Diezelfde vakantie ging m’n grootmoeder zo’n go-kart met een stok aan huren om me te kunnen vasthouden terwijl ik vruchteloos pedaalde op de plastieken trappertjes. Om de een of andere reden rukte de go-kart zich plots los van haar greep, en denderde ik gierend van de pret een heuvel af, recht een druk kruispunt op, langs schreeuwende mensen en toeterende auto’s heen. Ik kwam een straat verder tot stilstand, achtervolgd door m’n grootmoeder die in totale paniek was. Ze trakteerde me nadien een ijsje met aardbeiensmaak (de eerste keer dat ik dat proefde) op voorwaarde dat ik het incident niet zou vermelden tegen m’n moeder (alsof ik dat ooit van plan geweest was). Dat verhaal biechtte ik pas op aan de moeder op de uitvaart van m’n grootmoeder.

Later kwam ik aan de zee om gefaalde relaties te vergeten. Toen ik 18 was en ik net Sun Hee gedumpt had, maakte ik in een appartement met vrienden volledig live 9/11 mee, terwijl we lange avonden spendeerden aan Risk spelen, speculeren over wat Amerika zou doen en wat wij zelf zouden doen indien Osama bin Laden in hoogsteigen persoon zou opduiken op het balkon van het appartement. Het jaar nadien was ik er om Fien te proberen vergeten, en drie jaar daarna trachtte ik er een touw aan vast te knopen waarom Jade mij de wacht had aangezegd. Toch waren het er goede tijden geweest, met warm gekoesterde vrienden als Joeri, Andreas en Steven.

De zee had niet enkel gediend om oude liefdes in te verzuipen terwijl ik alleen zat in de duinen en uitkeek over de veranderlijk-onveranderlijke golven en wolken. Ze had even goed gediend om liefde te consumeren. Ik had er de eerste keer seks met Jade, bracht er een onstuimig weekend door met Natasja voor haar verjaardag, en later, toen m’n ouders een vakantiehuisje hadden in De Haan, had ik er zowel Inna als Jelka mee naartoe genomen. Dat huisje hebben m’n ouders nu verkocht, wat weer een periode afsluit.

Ik ben aan de verkeerslichten aangekomen en moet het trottoir slechts delen met twee druk taterende studentes, de ene lang en mager, de andere vol en klein. Gele fietsen en auto’s glijden langs en een bus stopt aan de overkant met een zucht om een hoop oudere mensen op te laden. Het is opgehouden met regenen, maar de straten baden nog altijd in de donkerder inkleuring van het water, dat zijn reflectie vindt in laag hangende wolken. Het waait even hard als daarnet.

 

Ik kraak de eerste sigaret van het nieuwe pakje voor de ingang van het appartementsgebouw, beschut tegen de regen, met de boodschappentas naast me. Ik sta hier graag. Het verbaast passanten soms dat hier iemand staat in deze uitsparing, maar ik laat dat niet aan m’n hart komen. Het is bovendien niet dat ik er bijzonder sinister of dakloos uitzie.

Er rijdt een auto voorbij waar luid Hallelujah in de versie van Jeff Buckley uit weerklinkt. Eén van de zijramen staat een beetje open, en aan het stuur van die auto zit een jonge man met een baard. Het is opmerkelijk om hier dit nummer zo luid te horen, want wie luide muziek speelt in de auto, lijkt meestal een adept te zijn van loeiharde dansmuziek, geautotunede pop uit de Arabische wereld of boze Franse hip-hop. Ik staar de Hallelujah-wagen na en schud onwillekeurig traag het hoofd. Ik heb nooit van dat nummer gehouden, niet omdat het geen goed nummer is, maar omdat ik het associeer met elitaire rockisten die één à twee keer per jaar naar dat nummer luisteren en het steevast de Tijdloze van Studio Brussel in stemmen. Die Tijdloze zijn een pretentieuze lijst waarin over generatiekloven heen vooral de dampen worden ingeademd van blanke mannenrock uit de jaren ’70, ’80 en ’90. Het is een reactionaire parade van zoons en dochters die er het sjibbolet mee uitdrukken dat ze de middenklasse-platenkast van hun ouders netjes beluisterd hebben. To wit: in die befaamde Tijdloze staan bijna geen elektronische nummers, een beperkt aanbod aan metal, geen reggae, geen hip-hop, en dan hebben we het nog maar enkel over popmuziek van na 1970.

Het ergste van dat alles is dat Studio Brussel nog mag gelden als één van de meest ruimdenkende muziekzenders, ook al duurde het meer dan een decennium tegen dat ze niet zo neerbuigend meer deden over alles waar geen gitaren in te bespeuren waren. Die attitude werd voor mij altijd gereflecteerd in de kleren, uitspraken en gedragingen van schoolgenoten uit de betere middenklasse die met een vanzelfsprekend aplomb meenden te weten wat cultuur was, en kritiekloos een zogenaamd kritische houding overnamen tegen wat ze zagen als een massacultuur vol dommekloten die enkel geïnteresseerd waren in merkkledij en opgedreven brommers. Ze waren zelf geen ongekamd haar beter. En ik was bitter.

Ik moet lachen met mezelf. De Hallelujah-hipster is al lang weg, maar het lijkt alsof ik naast hem in de auto plaatsgenomen heb om m’n gram te halen op een vakjesmentaliteit die, als ik eerlijk ben, steeds minder bestaat. De Tijdloze is er een gefossileerd reservaat van, dat wel, maar tegenwoordig luisteren jonge mensen naar zowat alles zonder dat ze zich opsluiten binnen één genre of één subcultuur. Laurent Garnier deed monocultuur-muziekliefhebbers indertijd af als “masturbatoir”, en hij had gelijk.

M’n sigarettenstompje belandt onder de hiel van m’n laars en ik ga naar binnen. In het postvak zit reclame en een brief voor Natasja, die dringend eens haar adres moet laten wijzigen zodat ik die enorme pakken reclame van de Colruyt niet meer uit de bus moet vissen.