Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling opiniestukken daarvan, want God weet dat er daar nog niet genoeg van bestaan. Mocht je je bij het lezen ervan afvragen: "kritiek hebben kan je wel, Anton, maar heb je ook oplossingen?" dan kan je 'De Nieuwe Staat' voor €0 downloaden. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 14 april 2016

Begraaf de jaren '90

De jaren ’90 zijn al een tijdlang bezig aan hun revival, zoals dat gaat met decennia waar de kinderen van toen nu volwassenen zijn die geld kunnen uitgeven aan nostalgie, reünietours en remakes, en de schaamtevolle mode van toen al voldoende lang geleden is om nu door te gaan voor onschuldige frivoliteit. Ik was zelf ook volop puber in de tweede helft van de jaren ’90. Ik luister soms terug naar de hits van de Ultratop van toen en in mijn herinnering was het altijd zomer.

Maar kunnen we één ding uit dat decennium begraven, alsjeblieft? Ik heb het over dat vreselijke “ironische” seksisme, die neiging om “de strijd der seksen” als een ludiek (het woord alleen al doet m’n oren bloeden) stukje theater te zien, en alles wat er bij komt kijken: reclames met kattige echtgenotes en dommige echtgenoten, Brusselmans’ zelfparodieën over achterwaarts jonge vrouwen in de poes naaien terwijl hij al bijna bejaard is, Goedele opvoeren als dé feministe, de bakerpraatjes van de Flair, dating coaches en de lulkoek van evolutionaire psychologie.

Het idee dat mannen en vrouwen fundamenteel anders zijn, is niet eigen aan de jaren ’90, maar de jaren ’90 gaven er een hippe draai aan. Plots waren er zogezegd wetenschappelijke bewijzen dat onze hersenen anders bedraad waren (wat tegenwoordig sterk betwijfeld wordt door neurologen) en vonden sociologen als bij toverslag dat onze huidige rolverdelingen recht uit de Oertijd overgeleverd waren (niet dat daar bewijs voor was). In de noughties scoorde het koppel Pease daarop voortbordurend monsterhits met dergelijke nonsens, die voorgoed moest duidelijk maken waarom manlief nooit de weg wilde vragen en waarom vrouwlief zo veel schoenen had.

Dergelijk reductionisme was niet zo onschuldig. Het veegde ten eerste de veelheid onder de mat van wat het kan betekenen om vrouw of man te zijn. Ten tweede was inzoomen op verschillen ook een manier om het belang terug te dringen van sociale mechanismen, iets waar hedendaagse seksisten zich nog altijd graag op beroepen, door de lange weg naar gelijkheid tussen genders weg te zetten als een louter wettelijke kwestie en verschillen af te doen als zuiver biologisch.

De laatste 5.000 jaar is “de strijd der seksen” ongeveer zo gelijk geweest als die tussen Europese kolonisten en Amerikaanse indianen. Het is niet zozeer dat vrouwen er, vooral in het Westen, de laatste 100 jaar veel op vooruit zijn gegaan, maar eerder mannen die langzaam aan begonnen inzien dat de patriarchale structuren die ze overgeërfd hadden, walgelijk onrechtvaardig waren toen ze begonnen vrouwen die hiertegen protesteerden, serieus te nemen.

Maar in de jaren ’90 vond het Grote Achteroverleunen plaats. We hadden abortus, verkrachting binnen het huwelijk was illegaal, vrouwen waren aan het werk en hadden een eigen bankrekening. Van de weeromstuit stond er een soort misogyne hipperd op die zich – ironisch! – bekloeg dat hij nu verknecht was aan het stiekem “sterkere geslacht” en zijn oude vuilaardij slechts in het geniep kon beleven. Zie als fossiel uit dit tijdperk het volstrekt ongrappige ‘Auwch’, op maandag op Vier uitgezonden na ‘De mol’: gag na gag wordt daar gelanceerd die het soort flauwiteiten serveert dat je ook kan zien in belegen variétéshows of kan lezen op de pagina’s van de Flair.

Daarom: als er één ding is uit de jaren ’90 waarvan ik hoop dat we het spoedig kunnen begraven, laat het dan dat zijn. Vier volop Baywatch, Alana Dante in latexpakjes, flat tops, de Backstreet Boys, de X-Files en Wendy Van Wanten, maar laten we grenzen trekken. We hebben ons veel te lang laten klein houden en het hoofd op hol laten maken door stereotyperende lolbroeken en aftandse seksisten in een modern jasje. Wij verdienen beter.

dinsdag 29 maart 2016

Zoek de molsim



Een week geleden werd België uit zijn hengsels gelicht. Enkele dagen voordien had premier Charles Michel nog als een levensgrote erectie trots de arrestatie van Salah Abdeslam aangekondigd. In Amerikaanse politieke termen noemen ze zoiets “snatching defeat from the jaws of victory”. De dagen nadien zei of schreef ik niet zo veel, terwijl de stortvloed van emoties en opinies zich over het land uitstortte. Er waren veel aangrijpende getuigenissen en optochten van moedige mensen die zich niet wilden laten kisten door fanatici van gelijk welke orde. En uit alle kieren en spleten kwamen ook de voorspelbare racisten die hun tijd weer gekomen achtten om hun gif te spuien. Vrijetijdsjihadi Geert Wilders nam zich voor om de islam te vernietigen en het cynische gedoogracisme van de grootste Vlaamse partij kwam weer rondjes rijden op een eenwieler nadat neo-nazi’s hitlergroeten brachten op het Beursplein. Franstaligen beschuldigen Vlamingen, Brussel wijst overal met de vinger behalve naar zichzelf, en twee ministers dienden nepontslag in.

De gedachte die ik daar bij heb, zoals ik al zo vaak heb gedacht, de laatste maanden: “Denken die mensen echt dat wij zo dom zijn dat we dat armtierige theater niet door hebben?” Dat, hoe veel spin je ook geeft aan uitspraken en beleidsdaden, we heel goed kunnen zien dat niemand echt vindt dat hij of zij verantwoording hoeft af te leggen? Het weinig verheffende antwoord is: “Ja, ze denken dat echt, want ze komen er nog mee weg ook.” Voor de stoep van het huis van een familie uit Bolivië had één of andere minkukel in krijt “Rot op molsims” gekladderd. Haat en domheid zijn altijd prima wapenbroeders geweest. Luister, ik heb het ook niet zo voor snobs die smalend doen over mensen die niet alle regels van de retorica en de spelling beheersen, maar zulk een agressieve onwetendheid maakt me bang.

Haters zoeken altijd een excuus voor hun haat. De Abdeslams van deze wereld hebben ruime keus uit allerlei grieven: despoten in de Arabische wereld, militant zionisme, Westers interventionisme, lokaal racisme of simpelweg het wegzakken van kansarme Maghrebijnen in Brussel in criminaliteit en nihilisme. Maar eerst, voordat ze zichzelf hullen in religieus vernis, gaat er vaak een carrière aan vooraf in de misdaad en het geweld. Iemand bij wie empathie en verfijning al op een laag pitje staan en die zich laaft aan de emotionele rush van de destructie, zal in IS en consoorten het gedroomde excuus vinden om te moorden. Zo kunnen terroristen zichzelf blijven zien als de good guys en passeren ze twee keer langs start om €400 te vangen: één keer wordt de innerlijke demon bevredigd van zijn diep gekrenkte, masculiene fantasiebeeld, de tweede keer dat het allemaal voor de goede zaak is.

Een omgekeerd proces vindt momenteel plaats in de Verenigde Staten. Het partij-apparaat van de Republikeinen, die al 40 jaar op diverse wijze alles wat rechts, religieus en reactionair is mobiliseren met een uitgekiende retoriek die voorzichtig om de hete haatbrij heen trippelt, merkt in Donald Trump plots dat die kiezers dat spel niet meer meespelen. Het was die groep nooit te doen om fiscaal conservatisme of zelfs maar om religie. In Trump, een vulgaire vrouwenhater met de intellectuele klasse van een gesjeesde verkoper van tweedehandsauto’s, hebben ze hun ultieme avatar gevonden. Ook in Europa hebben we onze vaste reclamemakers voor de haat, zoals de eerder vernoemde Wilders, of Le Pen, of Orban, of andere gezellige lui die mensen inspireren om brandbommen te gooien naar azielzoekerscentra, progressieve politici fysiek aan te vallen of gemaskerd pogroms te houden in de straten van Europese steden.

Haat, hoe moeilijk dat gevoel ook is voor mij om te begrijpen in zijn totaliteit (ik heb misschien wel een paar lijken in de kast, zoals iedereen, maar haat is er niet één van), ontstaat niet zomaar. Ahmed uit Anderlecht is niet geboren met het plan om in Syrië homo’s te pletter te gooien of blind te gehoorzamen aan salafistische predikers. Gaston uit Lommel is ook niet ter wereld gekomen met een automatische tunnelvisie om iedereen die bruiner is dan een papieren zak, te zien als een soort Untermensch die geen plaats heeft in onze maatschappij. De discussies over ideologie zijn een achterhoedegevecht, het ruimen van puin nadat de wagen al perte totale is.

Hoe bizar het ook klinkt, het probleem van kweekvijvers voor moslimterreur in eigen land lijkt me makkelijker op te lossen dan voorkomen dat mensen beïnvloed raken door de haatzaaierij van het inheemse extreemrechts. Geen enkele maatschappij zal aberraties volledig kunnen voorkomen, maar het zou op zijn minst een begin zijn als we helder kunnen kijken naar hoe een hater zijn eerste stappen zet en dat we daar kunnen corrigeren. Als Gaston uit Lommel niet heelder dagen overspoeld werd met sensationele beelden van agressieve, boze Arabieren, criminelen als Ahmed uit Anderlecht, en het constante “begrip” dat toppolitici uitdrukken voor zijn angst en woede, zou hij misschien niet gedacht hebben dat de Mol een Boliviaan was. Als Ahmed uit Anderlecht niet toegespuwd werd op straat door Gaston uit Lommel, criminaliteit niet cool vond omdat er goede jobs waren en geen salafisten tegenkwam omdat ze hier geen financiering kregen, dan zou hij misschien geen spijkerbom gemaakt hebben.

Het ultieme recept om haat te bestrijden bestaat niet. Maar de laatste weken, maanden en jaren heb ik veel te vaak hetzelfde mogen zien: meer haat, meer nietszeggende verontwaardiging, zalvende oproepen tot pacifisme, en beleid dat bestaat uit een karig hoopje borstgeklop en geknoei. Het is tijd dat er eens van échte verandering werk wordt gemaakt.

vrijdag 8 januari 2016

Absolutie

Over waarom ik enkele maanden stilte inlas.

Ik ben een zoeker. Aan de binnenkant van mijn schedel tast ik voorzichtig naar nieuwe gedachten, indrukken en vonken. In een mentale ruimte die zo groot kan zijn als het universum zelf, kan ik wandelen over uitgestrekte heuvels waar het enige wat het wit van de sneeuw het wit van de mist onderscheidt, mijn zelfschets is. Het verlangen om de wereld in me op te nemen is nooit groter geweest dan het verlangen om zelf een wereld te maken en daarin weg te zinken. Vandaar dat ik als kind gefascineerd voor tv zat voor de reeks 'Odyssey', waar een jongen in coma door zijn eigen droomwereld wandelde, of hoe 'The Cell' de binnenwereld van de geest in hevige kleuren en met symbolisch spektakel tot leven bracht.

En nu, nu het jaar al een paar dagen oud is, zit ik opnieuw neer in de zetel en denk ik na. In de beste traditie van het boeddhisme probeer ik bewust om geen demarcatielijnen te trekken over datums en gebeurtenissen. Ik hoef geen synthese te puren uit de opeenstapeling van feiten die ik geleefd heb en de daden die ik gesteld heb. Want niet alles daarvan is fraai, laat staan dat het dingen waren waar ik naar uitgekeken had. Maar dat is niet per se slecht. Ik had ook niet gedacht dat ik in 2015 zo veel ging lezen of dat ik tegen het einde van het jaar mijn liefde voor film zou herontdekken. Dat mooie muziek me dieper kan beroeren dan ooit en dat ik het minder belangrijk vind dan ik gedacht had om op weinig podia te staan.

M'n ogen glijden af naar de kleine kerstboom op de salontafel, die verstikt is in slingers licht, compacte kerstballen en nepvogels. Hij is lelijk maar hij is prachtig, dat trots stuk kitsch temidden van m'n tijdelijke woonkamer waar de meubels te dicht op elkaar staan, de vloer een vuilmagneet van vinyl is en één van m'n gordijnen permanent scheef hangt. Maar het is de kamer die ik nu bewoon waar het lichaam in zit dat zichzelf bewoont en dat is belangrijk om geen enkele andere reden dan dat het er voor niemand meer zal toe doen dan voor mij.

Bij de kerstboom staan twee ruw-porseleinen ijsberen, een geschenk van mijn ouders toen ik begon te avonturieren in bijberoep en die nu goed passen bij de stilte die hier heerst. Die stilte mag nog even aanhouden. Voor het jaar dat voor de deur staat, ben ik van plan niet te veel woorden te verspillen op papier of wat daar digitaal voor doorgaat. Dat is niet omdat ik niets te zeggen heb, maar omdat ik me wil kunnen focussen op wat er nog meer toe doet.

Het is geen geheim dat ik een warme fascinatie koester voor oorden als Antarctica, de Sahara, Groenland, Mars en de ruimte. Misschien is het een chronisch geval van het gras dat groener is aan de overkant. Als ik daar had gezeten, dan zou het drukbevolkte België me misschien veel meer aanspreken. Maar opnieuw: het draait om ruimte, of beter, om vorm en leegte. Ik wil de komende maanden niet de druk voelen om toch maar weer iets online te zetten, gedachten te delen met de wereld of om mee te racen voor aandacht.

Ik sluit niet uit dat ik zo nu en dan de digitale stilte doorbreek maar ik blijf hier voorlopig nog even zitten in deze zetel, terwijl dag langzaam avond wordt, de lichtjes van de kerstboom feller worden en m'n gordijnen nog altijd scheef hangen.

donderdag 15 oktober 2015

Inktmoeheid

Het is geen geheim dat ik ooit graag eens een uitgever zou vinden en dat ik na al die jaren ploeteren, zwoegen, redigeren, schrappen en schrijven het resultaat - een resultaat - ervan zou kunnen vinden in een boekhandel. Los van het feit waarom dat tot hiertoe nog niet gelukt is, is er een ander probleem dat me hindert in deze queeste: ik heb een hekel aan zelfpromotie. Het is niet dat ik een boeddhistisch mager ego bezit of stiekem geloof dat wat ik schrijf, niet de moeite waard is om gelezen te worden. Het is dat hoe vaker ik anderen zichzelf zie promoten in deze race naar Een Naam, Een Aanwezigheid en Een Stuk Cake, ik omgekeerd evenredig de motivatie verlies om me te mengen in een circus van stemmen en aandachttrekkerij dat me zelfs zonder mijn eigen inbreng al bij voorbaat vermoeit. Want vermoeiend, dat is het. Begrijp me niet verkeerd. Voor veel mensen met een ambitie die gelijkaardig is aan de mijne, koester ik sympathie. Ik gun iedereen zijn of haar plek onder de zon. Ik retweet of ik like om bepaalde mensen te steunen of omdat ik hen oprecht succes toewens met hun projecten.

Maar soms wordt het me allemaal te veel. Al die projecten. Al die hemelbestorming. Al die goede zielen met een project of een zaak. Soms denk ik: laat me met rust. Laat me gewoon doen wat ik het allerliefste doe: schrijven, schrappen, redigeren. Kom eens iets van me lezen, als je wil. Maar dat gepromoot ben ik moe. Hoe veel pagina's per week word ik niet gevraagd om te liken? Wat zal ik er aan overhouden?

Ik kijk niet neer op marketing - ik verdien er zelfs mijn brood mee. Maar mezelf vermarkten is me eigenlijk al jaren een stap te ver. Ik ben geen product en ik hoef geen unique selling proposition. Maar hoe kan ik dan in godsnaam hopen op een doorbraak als ik me hier allemaal tegen afzet? Eerlijk, dat weet ik ook niet. Misschien ben ik stuitend naïef om te geloven, tegen beter weten in, dat als ik maar goed genoeg wroet en schrijf, dat een publiek uiteindelijk vanzelf zal volgen. Ik zoek namelijk ook zelf op wat me interesseert en grasduin graag door de links van m'n favoriete schrijvers, opinieerders en ander volk.

Eerlijk is eerlijk, er is ook heel veel ruis. Wat moet een mens met wenkbrauwverlagende sites als Newsmonkey of de zoveelste politieke stokebrand. Het is allemaal zo hitsig en aangeschoten. Hoe meer ik overspoeld word door teksten, hoe minder zin ik niet alleen krijg om m'n stem toe te voegen, maar ook het plezier van het schrijven wordt er door vergald. Wie zit er immers nog te wachten op een nieuwe opinie of een zoveelste verhaal? Waarbij kwaliteit soms ondergeschikt lijkt aan het loutere zeggen en de felheid het zo vaak haalt op de inhoud. Dit is geen subtiele steek naar iemand in het bijzonder, overigens. Ik ben niet te beroerd om man en paard te noemen als dat moet. Gisteren nog zat ik in verbazing toe te kijken hoe een artikel van twee schermlengtes op De Morgen al mag gelden als een "longread". Serieus?

De voorbije twee jaar heb ik telkens een maand vakantie genomen van sociale media. Maar het duivelse eraan is dat je dan momentum verliest. Volgers beginnen een beetje af te haken als er lang niets nieuws komt. Dit jaar koos ik ervoor om erg weinig op te treden. Wat zie je? Je wordt vanzelf ook minder gevraagd. Enerzijds ben ik er niet rouwig om dat ik niet langer op avonden sta waar het publiek enkel een beetje entertainment verwacht en de kwaliteit van de gemiddelde performance om bij in je broek te schijten is van schaamte, maar anderzijds ben ik ook weer potentiële lezers, vrienden en bondgenoten armer.

De tijden zijn voorbij dat je als schrijver of intellectueel in een tuinhuis kon kamperen, daar je werk schrijven en het dan indienen bij een tijdschrift of opsturen naar een uitgever. Ik weet niet hoe dat laatste vroeger liep, tussen haakjes, maar mijn ervaring met de demiurgen van de literaire wereld is tot hier toe grotendeels erg negatief. Botheid, zwijgen en loze beloftes zijn zo de norm dat een beleefde afwijzing al voelt als een overwinning. Ook dat draagt niet bij tot mijn motivatie om het beste werk te leveren dat ik kan leveren.

Wat staat er mij te doen? Niet schrijven is voor mij het Ondenkbare. Ik schreef al verhalen van toen ik acht was en heb nooit iets anders willen doen. Maar er moet toch een manier bestaan waarop ik niet nog eens een dagtaak hoef te hebben aan m'n eigen sandwichman zijn, laat staan dat ik op soms geforceerde manieren mijn politiek en menselijk kapitaal moet veiligstellen in de literaire visbokaal om ooit ergens een voet tussen de deur te krijgen. Wat is die manier, dan? Ik weet het niet zo goed meer.

vrijdag 24 juli 2015

Schrijven over wijven

Misogynie in de letteren heeft een vermaarde en lange geschiedenis. De Romeinse literatuur is de Latijnse versie van “jongens onder elkaar, en ach, die domme vrouwtjes toch”. De hoofse lyriek beeldde vrouwen af als mystieke kwezels en heilige gralen die op het eind van de ridderqueeste op de held wachtten. Ook in de 20ste eeuw was er geen gebrek aan auteurs die schreven over vrouwen als onredelijk, hysterisch, manipulatief, dom, sletterig, of, het ergste wat je blijkbaar kan verwijten aan een vrouw: seksueel afstotelijk.

Het zou kortzichtig zijn om de meningen van vertellers en personages gelijk te schakelen met de mening van de auteur. Het beste voorbeeld is de weinig geraffineerde kritiek op ‘American Psycho’ van Brett Easton Ellis, die stelt dat brutale vrouwenhaat erin zou verheerlijkt worden, terwijl een nauwkeurige lezing duidelijk maakt dat het juist het overdreven lege en sociopathische machismo van Wall Street is dat met de grond gelijk gemaakt wordt. Maar mag het eens wat minder, zo af en toe?

Je kan schrijvers van een vorige generatie, zoals Daisne, Lampo, Schouwenaars of Claus nog enigszins kwijtschelden omdat die opgegroeid waren in een tijd waarin vrouwen geen eigen bankrekening hadden, de feministische revolutie volop sociale normen en waarden dooreenschudde en vrouwen in de literatuur zelf minder aanwezig waren. Maar welk excuus heeft Brusselmans om vrouw na vrouw na vrouw op te voeren die enkel dient als zijn persoonlijke madonna/hoer? Wat is het excuus van Peeters om telkens opnieuw lauw herkauwde clichés over vrouwen te serveren en hen daarna aan te vallen onder een laf pseudoniem? Wat drijft Dautzenberg om zo nu en dan een vrouw zonder duidelijke aanleiding te vernederen en te folteren in zijn werk?

Opnieuw: het probleem is niet dat er misogyne personages bestaan. Het probleem is dat je er onderhand de E40 mee kan volleggen van begin tot eind. Dat die boeken gretig blijven gelezen worden en een schepje op de berg stereotyperende opvattingen over vrouwen toevoegen. Het is vermoeiend. Onze literaire prinsen zijn geen totale macho’s meer à la Hemingway en zo nu en dan mag er eens een vrouw of een homo mee aan tafel schuiven, maar het is nog steeds heel vaak “jongens onder elkaar.”

En ik ken de verhalen. Dat Brouwers een vertroebelde band had met vrouwen door zijn ervaringen in de Jappenkampen. Dat Verhulsts moeder een onhebbelijke, liefdeloze vrouw was of dat dichter zus en zo door meisjes gepest werd op school. Pijnlijke ervaringen laten littekens na. Maar zouden we accepteren dat een zwarte schrijver boek na boek uitbrengt waarin blanken opgevoerd worden als slavendrijvers met hakenkruisen in de ogen? Of dat een vrouwelijk slachtoffer van seksueel geweld mannen telkens afbeeldt als primitieve bruten? Het kot zou te klein zijn.

Ik ben er vrij zeker van dat veel schrijvers zichzelf helemaal niet zien als vrouwenhaters. Ik zag mezelf ook nooit als een vrouwenhater toen ik in m’n puberteit verhalen schreef waarin vrouwen enkel een secundaire rol hadden, overemotioneel waren en bestemd waren voor het moederschap. Je reproduceert vaak zonder dat je er bij stilstaat, de clichés en de ervaringen van anderen.

Terecht klinkt er steeds vaker kritiek als één of ander bedrijf of marketingbureau aan komt zetten met een campagne waarin nodeloos halfnaakte vrouwen begerig lonken naar de aandacht. We zijn ook gevoeliger geworden voor de seksistische bullshit die neergepleurd wordt in bladen als Flair en P. Misschien wordt het tijd dat we ook eens onder de motorkap kijken van de letteren. Niet om te censureren, zoals reaguurders vaak staan te schreeuwen, maar om te reflecteren. Om te beseffen dat het niet altijd wijven zijn, maar soms ook gewoon mensen. 


dinsdag 19 mei 2015

Ik kom niet naar uw manifestatie

Interesse hebben in politiek en het debat aangaan onder vrienden en online, betekent vroeg of laat dat je allerlei uitnodigingen krijgt voor marsen, petities, manifestaties of andere evenementen in den vleze. De keren dat ik werkelijk opdaag op zulke gelegenheden, valt op één hand te tellen. Eerlijk is eerlijk: ik vind de overweldigende meerderheid van die zaken vermoeiend en zinloos.

Vermoeiend, omdat het al te vaak complexe zaken aanpakt per strijdkreet en op ondoordachte wijze. Zinloos, omdat het zelden iets oplevert. Zelfs de mars aller marsen, de Witte Mars die de mythische één miljoen Belgen op de been bracht, resulteerde niet in een betere werking van het gerecht of het terugdringen van politieke inmenging in justitie.

Maar, zo gaat het argument, we moeten een signaal geven. We moeten elkaar live een hart onder de riem kunnen steken. Een signaal voor wie dan? Onze rechtse machthebbers weten heel goed wie hun oppositie vormt en lijken er niet bepaald wakker van te liggen. Een meerderheid lijkt het best te kunnen vinden met Charles 'Feestneus met snor' Michel en die meerderheid zal niet van idee veranderen door enkele medioren en jong links tuig dat met de megafoon in de hand een soundbyte van een halve minuut krijgt in het Journaal.

En natuurlijk is het fijn om eens de solidariteit te voelen die heerst onder een protestbeweging, maar ik hoef daarvoor niet op een werkdag op een Brussels plein te gaan staan (da's nog zo'n ergernis: veel van die manifestaties vinden plaats op onmogelijke uren, midden in de week). Ik zie het voldoende aan mijn Twitter, Facebook en de avondlijke conversaties die ik voer.

Veel mensen die zich zorgen maken over de verruwing van de maatschappij, die met argusogen het gedoogracisme volgen van de Vlaams-nationalisten of die beseffen dat we de teugels kwijt zijn over een kleine toplaag graaiers, willen iets doen. Ze willen niet stil blijven zitten. Ik begrijp dat. Ik deel die onrust, die woede, die dadendrang. Maar het loont soms om wel te blijven zitten. Om na te denken over wat we structureel kunnen doen.

Ik heb veel respect voor bewegingen als Hart boven Hard, echt. Ik vind de vakbonden waardevolle organisaties. Maar hun manieren van actievoeren zijn zo pijnlijk bevroren in de tijd. In plaats van in hesjes in stations en op pleinen te kamperen, bezet eens een bank, denk ik dan. Hack een partijwebsite en doe aan adbusting. Draai een clever filmpje in elkaar dat virale aandacht trekt.

Al meer dan een decennium raakt nominaal links in Vlaanderen niet uit boven een kwart van de stemmen. Een deel daarvan is te danken aan de ons-kent-onsberichtgeving van oude zakken met een centrumrechts profiel (en hun acolieten), maar traditioneel links ontbreekt het vaak aan kritische zelfbevraging. PVDA en Groen zijn al wat uit hun sluimer ontwaakt en gaan de goede richting uit, maar bij sp.a blijft het gezellig brezjneffen.

Het politieke discours kaap je niet door op fluitjes te blazen en petities te laten rondgaan om het ontslag van één of andere blaaskaak te eisen. Ik heb geen perfect recept voor hoe het wel te doen, maar ik weet wel dat zolang ik uitnodigingen zal krijgen voor de same old show, dat ik een no-show zal zijn, tot ergernis en teleurstelling van mijn vrienden en bondgenoten met ludieke spandoeken.

donderdag 9 april 2015

"Latina sunt, non leguntur"

Op Newsmonkey verscheen vandaag een opiniestuk van Mick Van Loon, die een eerdere uitspraak van Lieven Scheire (dat Latijn aanbieden op de middelbare school "op niks slaat") volledig steunt. Van Loon wijst inderdaad op een aantal pijnpunten waar scholen jammerlijk achterop hinken bij de realiteit: verouderd lesmateriaal, onaangepaste methodes en vakken die niet altijd aansluiten bij de realiteit, laat staan toekomstgericht zijn.

Het is eveneens juist dat veel uitvindingen die worden gezien als Romeins, eigenlijk geperfectioneerde varianten waren van eerder bedachte innovaties van de Grieken, de Etrusken en de Kelten.

Of Latijn een plaats heeft in de middelbare school of niet, dat wil ik in het midden laten. Maar Van Loon bouwt in zijn opiniestuk een betoog op dat langs alle kanten een loopje neemt met taalkunde, kennisleer, logica en geschiedenis. Hier zijn zijn acht grote denkfouten:

Fout 1: Nederlands is gedoemd

Hoewel het waar is dat taaldiversiteit overal in de wereld afneemt, is Nederlands met zo'n 23 miljoen sprekers een zeer gezonde taal. Nederlands houdt het al 1.000 jaar uit, en dat omringd door dominante, "grotere" talen. Er is geen reden om aan te nemen dat onze taal binnen 500 jaar weg is.

Factoren die taaldood in de hand werken, zoals afwezigheid van een schrift, niet-erkenning van de overheid, lage sociale status, politieke repressie en lage economische waarde, zijn voor het Nederlands allemaal afwezig.

Fout 2: We evolueren naar een soort wereldcreools

Talen kunnen zich vermengen tot pidgins en creooltalen, maar de voorspelling dat we over enkele eeuwen in de hele wereld een soort Chinglish gaan spreken, veronderstelt massale (en gewelddadige) migratiegolven, neo-kolonisaties en andere types volksverhuizingen die met het ontstaan van creolen gepaard gaan.

Tenzij Van Loon denkt dat we binnen 200 jaar in de wereld van 'Mad Max: Beyond Thunderdome', gaan leven, is deze voorspelling dus weinig waarschijnlijk. Kunstmatige pogingen om hybridetalen te creëren, zijn bovendien telkens stukgelopen op de hardnekkigheid van levende culturen.

Fout 3: Wat Romeinen deden, was genocide

De premoderne wereld had geen concept van wat genocide, de doelbewuste uitroeiing van een volk, inhield. Ze hadden er zelfs geen woord voor. Zijn er volkeren platgewalst onder de efficiëntie van de Romeinse legioenen en kolonisaties: zeker. Maar stellen dat het genocide was, is stemmingmakerij. In het oosten is dat overigens niet eens gebeurd. Men bleef daar tot aan de val van Byzantium in 1453 Grieks spreken.

Bovendien deden de Romeinen iets wat andere veroverende volkeren niet deden: ze lieten oude tradities intact, namen ze mee op in hun eigen cultuur, en hadden een systeem van sociale mobiliteit waar niet-autochtone Romeinen ook burger konden worden. Rome heeft keizers gekend uit de Balkan, Spanje, Gallië en uit Noord-Afrika.

Fout 4: De Romeinen gingen zo barbaars om met vrouwen als IS

Vrouw zijn onder Romeins bewind was geen pretje, maar in de periode van de vroege Republiek tot het late Keizerrijk (grosso modo een millennium) kenden vrouwenrechten veel ups en downs. Vergelijkingen met IS zijn even van de pot gerukt als beweren dat de Europese cultuur als geheel moet veroordeeld worden omwille van de kruistochten en de koloniale rijken in de Amerika's en Afrika.

Het is gevaarlijk om hedendaagse concepten te projecteren op een verleden dat we niet alleen zelf niet meegemaakt hebben, maar waar andere culturele contexten heersten. Dat praat niets goed van wat de mensen toen deden, maar om die reden Latijn uit het venster gooien is even raar als Engels en Frans afschaffen omdat ze de talen zijn geweest van patriarchale onderdrukkers.

Fout 5: Onze cultuur wortelt niet in de Romeinse

Latijn was de taal van de Kerk en daarvoor van het Romeinse Rijk. Belgen stammen af van de Franken, een Germaans volk dat zich in de vierde en vijfde eeuw vestigde tussen de Seine en de Rijn. In dichter bevolkte gebieden namen ze de taal, religie en de cultuur over van de Romeinen, in dunner bevolkte gebieden bleef het Germaanse karakter van de taal overeind, maar werden eveneens veel aspecten van de Romeinse cultuur overgenomen.

Wil Van Loon dan dat leerlingen Proto-Germaans gaan leren? Dat is een beetje problematisch, want er zijn geen geschreven bronnen van. Latijn was inderdaad mee een instrument in onderdrukking door de Kerk, maar het was evengoed in de Renaissance de taal van veel vroegmoderne denkers, filosofen en artiesten die vandaag als verlichter mogen gelden dan de gemiddelde reaguurder op HLN.be.

Fout 6: We zouden beter Chinees leren

Vooralsnog leren Chinezen liever Engels dan dat ze eisen dat buitenlanders Chinees leren. In de jaren '80 was het bon ton om te voorspellen dat de toekomst Japans was, nu is hij Chinees. Er zijn echter geen tekenen dat China bouwt aan een cultureel imperalisme zoals de Amerikanen, de Britten en de Fransen dat voor hen deden.

Het is wel een interessant gedachtenexperiment om onze kinderen Chinees aan te leren, maar het zou een volledige reconversie van het onderwijs vergen. De Chinese cultuur is immers niet omnipresent, nabij en makkelijk op te pikken zoals de Angelsaksische of de Franse. Daar zou niet enkel Latijn in sneuvelen, maar ook een pak andere vakken.

Fout 7: Latijn belemmert onze vooruitgang

Van Loon maakt het argument dat de tijd die we spenderen aan Latijn, verliezen aan vlijtige Aziaten die die tijd invullen met meer wetenschap en wiskunde. Alleen zorgt meer wetenschap en wiskunde niet automatisch voor meer innovatie. Innovatie is enorm belangrijk als drijvende kracht voor een competitieve kenniseconomie, en de inspiratie daarvoor komt vaak uit de zaken vanuit een ander perspectief leren bekijken. Dat is niet iets wat enkel wiskunde kan aanleren.

In België hebben we een zeer rijke culturele context, als kruising van verschillende culturen en buurland van vier voormalige wereldrijken. Die heeft mee gezorgd voor onze rijkdom en veelzijdigheid. Die cultuur gaan weggommen (want dat is uiteindelijk wat Van Loon impliceert door de wortels ervan te willen doorknippen in het onderwijs) om enkel in te zetten op ingenieurs opleiden die duurder zullen zijn dan hun Indische concurrenten maar geen enkel concurrentieel voordeel hebben (wetenschap is immers een universele taal), is kortzichtig.

Fout 8: Latijn houdt elite in stand

Het beruchte watervalsysteem in de middelbare scholen is een pijnlijk sociaal probleem dat maar niet opgelost raakt. Latijn - en Grieks - de nek omwringen zal dit systeem niet veranderen. Het ereschavot zal enkel nog prominenter ingenomen worden door de opleiding wetenschappen-wiskunde. Als mijn eigen middelbare schooltijd, nu al meer dan 12 jaar geleden, een indicatie is, dan is dit nu al volop aan de gang.

Latijn heeft, net als elke taal, mensen samengebracht, verdeeld, overheerst, de vrijheid gegeven, verlicht en ook dom gehouden. De stamtaal van Frans, Spaans, Italiaans en Portugees heeft als één van de eerste wereldtalen ooit, een erfenis nagelaten die nog altijd nazindert in de hele wereld. Die erfenis heeft veel donkere bladzijden, maar die heeft elke geschiedenis en elk imperium.

Een sportleraar en chemie

Moet Latijn nog een plaats krijgen in het middelbaar onderwijs? Misschien, misschien ook niet. Friedrich Nietzsche zei ooit: "De beste manier om een zaak onderuit te halen, is ze verdedigen met de verkeerde argumenten." Een verdediger van de afschaffing van Latijn die weinig kennis heeft van hoe geschiedschrijving en taalkunde werken, is net zo dol als een sportleraar laten opiniëren over het nut van chemie.

De titel van dit stukje verwijst overigens naar Latijnse spreuk "dat is Grieks, dat wordt niet gelezen", een anti-intellectuele uitspraak die mensen ervan moest ontmoedigen om Grieks te leren, omdat Latijn toch alles was wat je nodig had.