Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling opiniestukken daarvan, want God weet dat er daar nog niet genoeg van bestaan. Mocht je je bij het lezen ervan afvragen: "kritiek hebben kan je wel, Anton, maar heb je ook oplossingen?" dan kan je 'De Nieuwe Staat' voor €0 downloaden. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 26 november 2012

Willen is kunnen

Ik heb het geluk veel mensen te kennen die net als ik graag lezen. Dat is erg fijn. Wat me opvalt, is dat velen onder hen de Nederlandse literatuur links laten liggen en liever Engelse literatuur ("in het Engels!") lezen, en ik heb het hier niet over mensen die rondhangen in hellecirkels waar '50 Shades' en 'Twilight' gelden als literatuur, noch over verstokte anglisten.

Zelfhatende Nederlandstaligen?

Nederlandstalige intellectuelen hebben een koele relatie met hun eigen taal. Ik heb al een paar keer de mening mogen aanhoren dat men beter het Nederlands zou afschaffen en vervangen door het Engels, of dat Nederlands toch gedoemd is om uit te sterven en volledig door Engels uitgeroeid te worden. Staan op de schoonheid van het Nederlands wordt gezien als wat schoolmeesterachtig, of pleiten voor taalzorg wordt gemakshalve gecatalogeerd onder besognes van rechtse zakken. Ik ben zo links als ze komen, dus die tegenwerping schiet alvast mijlenver haar doel voorbij.

In plaats van de zeiksnor uit te hangen en te zeggen dat mensen die Engelse literatuur prefereren onder het juk zitten van Angelsaksisch cultureel imperialisme, een kwalijk minderwaardigheidscomplex of een verkeerd beeld hebben van de Nederlandse literatuur, ga ik graag in op manieren om 'onze' literatuur terug beter en aantrekkelijker te maken. Ik probeer me daar niet bij te verliezen in stuntelige aanvallen op auteurs die ik niet gelezen heb, maar kom, nu moet me toch wat van het hart: er wordt te veel brol geschreven, en er heerst in de kleine kringen van de literatuur al te vaak een 'kleren van de keizer'-mentaliteit.

Middelmaat heerst

Ik ga niet zo gauw zwart op wit een andere schrijver afzeiken, omdat het makkelijk is om dat te zien door de lens van iemand die nog niet gepubliceerd heeft en dus wel gefrustreerd moet zijn. Ook blijven de slechte boeken die ik in het Nederlands gelezen heb beperkt tot schrijvers die uiteindelijk niet zo'n florissante carrière meer blijken te hebben. 'Slaap', een vrijblijvend boekje, werd aanvankelijk onthaald als voorbode van een nieuwe generatie jong talent, maar enkele jaren na de hype wordt Annelies Verbeke beter ingeschat als niet onverdienstelijk, maar zeker niet de persoon die de Lage Landen zal verbazen met haar hoogstaand proza. Dimitri Verhulst lijkt eenzelfde lot beschoren, en terecht.

Wie ik het nu wel even over wil hebben, is Arnon Grunberg. Ik lees z'n columns in Humo, volg zijn reportages, heb 'De mensheid zij geprezen' en nu 'De Joodse messias' gelezen. Iemand moet me uitleggen waarom die man vandaag geldt als één van de grote namen in de Nederlandse literatuur. Als je als taalliefhebber en lezer Grunberg voorgeschoteld krijgt als top van de lokale literatuur, zou je van lieverlee vluchten naar Engelstalige auteurs. Alleen al dat treiterende, neerbuigende 'u' van zijn columns die vaak nergens naartoe gaan. Je kan columnisten als Camps en Dewulf verwijten dat het als simpel geweten verpakte aanstellers zijn, maar ze hebben tenminste nog wat te zeggen.

Dan was er 'De mensheid zij geprezen', zo'n boek dat aanvoelde als een iets te luide grappenmaker die eindeloze variaties vertelt op dezelfde mop en je de pointe er nog bij uitlegt ook. Ik dacht toen dat ik misschien het verkeerde boek had uitgekozen. Grunberg is een gelauwerd schrijver, dus al die andere lezers en literaire experts zullen het wel beter weten, zeker? 'De Joodse messias' is niet veel beter, jammer genoeg. Houterige dialogen, die irritante 'heb je 'm, heb je 'm?'-ironie, zinnen die uitdrukkelijk dingen naar de gunst van mensen die niet zo'n uitgebreide woordenschat hebben opdat ze zich niet te dom zouden voelen, en ga zo maar verder.

Ook herinner ik me nog de fameuze polemiek tussen Grunberg en A.F.Th. van der Heijden. Wat een zielige vertoning was me dat. Een orkaan van platitudes en gratuite beledigingen die al gauw met literatuur niks meer te maken hadden.

Grunberg staat niet alleen met zijn problemen. Ik heb alleen hem als voorbeeld gekozen precies omdat hij zo gekend en geprezen is. Je zal me ook niet horen afdalen in hysterische drukdoenerij over waarom zijn werk gepubliceerd wordt. Het is niet dat hij niets kan of dat ik denk dat de uitgeverswereld collectief zijn verstand verloren heeft. Het is gewoon dat het allemaal zo wraakroepend middelmatig is. In de Angelsaksische wereld hadden ze er al lang een redacteur of drie op gezet, en was hij zeker niet verheven geraakt tot de top.

Tegenargument

Ik hoor met gestage tred al enkele Grunberg-verdedigers aan komen. De argumenten zullen luiden als volgt:

1. "Heb je wel genoeg gelezen?" Dat kan een zeer geldig argument zijn, maar ik denk dat m'n referentiekaders intussen voldoende breed zijn om enerzijds een boek op z'n eigen verdiensten te beoordelen, en dat ik anderzijds al genoeg Grunberg achter de kiezen heb om te zien dat zijn amechtig proza geen eenmalige uitschuiver is.

2. "Over smaak valt niet te twisten." Wel wel, het zijn de jaren '60 aan de lijn, ze willen graag hun relativisme ad absurdum terug. Bovendien kan je wel discussiëren over smaak.

3. "Anton Voloshin stelt zelf weinig voor als schrijver." Ook dat is geen excuus. Een theatercriticus hoeft ook zijn strepen niet verdiend te hebben als regisseur of acteur om een gedegen mening te kunnen hebben over theater.

Kleine markt is geen excuus

Literatuurgezinde personen laken het feit dat uitgevers zich volop in de commercie gestort hebben. Uitgevers klagen zelf dat er met literatuur haast geen geld meer te verdienen valt. Je hebt daar natuurlijk een probleem als je potentiële publiek in eerste instantie maar 23 miljoen mensen bevat, tegenover een honderden miljoenen mensen die Engels kunnen begrijpen. Dan nog, dit mag geen excuus zijn waarom er zo veel slecht geschreven wordt, wel integendeel.

Bovendien is er nog een ander argument: Nederlandstalige auteurs zijn erg zelden populair in vertaling. Daar zijn al allerlei redenen voor aangevoerd, maar er is kennelijk niemand die durft opperen dat dat komt omdat de meesten onder hen gewoon niet goed genoeg zijn. Tsjechisch en Zweeds zijn talen met meer dan de helft minder sprekers dan het Nederlands, en toch hebben Tsjechië en Zweden internationaal gerenommeerde literatoren én schrijvers van bestsellers voortgebracht.

Gekmakend potentieel

Ik geloof erg sterk dat er veel potentieel zit in het Nederlands. Ik verdien dan wel mijn brood met Engels, maar ik ga nooit m'n missie opgeven om de gereedschapskist van het Nederlands ten volle te benutten om mooie dingen te proberen maken.

Het gaat verder dan de taal op zich. Nederlands zit in een prachtige geografische positie, als kruispunt tussen Engels, Duits en Frans, drie wereldtalen die voldoende overeenkomsten en kruisbestuivingen vertonen met onze taal zodat lenen, vertalen en hertalen veel makkelijker wordt dan als je pakweg moet gaan vertalen uit het Hongaars of het Turks.

Maar mooie resultaten kunnen niet geboekt worden zolang de literatuurwereld zelf niet streeft naar meer uitmuntendheid. Anders zullen we Grunberg na Grunberg zien komen en gaan, uit een steeds verder slinkend leespubliek dat naderhand ook nog maar zal kunnen kiezen uit boeken van een viertal uitgeverijen.

Vadermoord

Ik heb al eerder een lijst met suggesties gegeven wat we kunnen doen om deze middelmaat te ontvluchten en boven onszelf uit te stijgen. In tussentijd: voel je als lezer absoluut niet verplicht om dingen goed te vinden omdat de media het promoten, of omdat sommige boeken op gedwee geknik van andere lezers onthaald worden. Het is geen nestbevuiling om te zeggen dat er aan de top geen plaats is voor de Grunbergen, Palmens en Verhulsten van deze wereld.

zondag 10 juli 2011

Maar wat is het nut nu precies?

Wat is het nut van het studeren en subsidiëren van alfawetenschappen?

Literatuur, kunst, filosofie en geschiedenis staan als formele hogere studieprogramma's onder zware druk. Hetzelfde geldt in mindere mate voor de meer geavanceerde theoretische wetenschappen en daarvan afgeleide ondernemingen zoals ruimtevaart. Hoewel ze op het eerste zicht erg van elkaar verschillen, worden ze geconfronteerd met zeer vergelijkbare vragen. Veel mensen vragen zich af wat het nut is van geld pompen in ruimtevaart, omdat er geen direct voordeel aan vasthangt voor de gemeenschap, net als dat geld spenderen aan letteren en wijsbegeerte de gemeenschap niet erg veel vooruit lijkt te helpen.

De critici van zowel de abstracte wetenschappen en de alfawetenschappen beweren dat het geld dat men eraan uitgeeft beter zou uitgegeven worden aan zaken "die er toe doen", zoals ziekenhuizen of toegepaste wetenschap. Tegenstanders van deze disciplines beweren verder dat deze studiegebieden kiezen, en bij uitbreiding subsidiëren, een deel van onze maatschappij onproductief maakt. Essentieel bekeken, of het nu gaat over de bizarre, 'vergezochte' takken van wiskunde of de diepgaande studie van zestiende-eeuwse Spaanse literatuur, vindt men deze programma's waardeloos. Een Master in de filosofie gaat geen levens redden, kantoorgebouwen ontwerpen of de workflow van een luchthaven managen.

De eerste verdediging

Met wisselend succes hebben de L&W-programma's een antwoord geboden aan deze uitdagingen. Sommige antwoorden hebben geprobeerd dezelfde redenering van hun tegenstanders te volgen: een student kunstwetenschappen zou een briljant entertainer kunnen worden, of een exobioloog zou wel eens een levensvorm kunnen ontdekken die erg voordelig blijkt te zijn voor de menselijke gezondheid. Men schildert de programma's hiermee af als ondernemingen met een hoog risico en een hoge opbrengst. Nochtans zal iedereen wel inzien dat het niet zo indrukwekkend is als een pas afgestudeerde ingenieur die onmiddellijk een brug kan ontwerpen die 250 jaar meegaat. Het valt ook nog te bezien of de investering in de vele studenten in deze disciplines die werkloos worden, laagbetaalde jobs of mislukte carrières zullen hebben, zichzelf terugbetaalt aan de hand van één op tienduizend studenten die erg succesrijk worden.

Andere mensen vanuit de L&W-wereld en de meer theoretische studiegebieden hebben geprobeerd om het emotioneel te spelen. Zij zeggen dat filosofie de moeite waard is om te studeren omdat het ons iets zegt over hoe mensen in elkaar zitten en hoe we de wereld zien. Ze kunnen zeggen dat astronauten voortdurend de grenzen verleggen in wat de mensheid kan bereiken. Maar deze argumenten helpen niet mee kanker genezen, en spelen al evenmin een rol in het terugdringen van milieuvervuiling of werkloosheid.

Het draait allemaal om geld

Verrassend genoeg heb ik nog geen antwoord gelezen dat de originele premisse in vraag stelt. De implicatie van de vraag naar het nut van subsidies voor de alfa- en abstracte wetenschappen is: waarom geven we hier geld aan uit als het ons niets opbrengt? Maar onder het mom van jonge mensen aan te moedigen om een opleiding te kiezen die nuttig kan zijn voor de maatschappij, is er eigenlijk maar één argument dat telt: geld.

Het feit dat er nu een brug is over de Øresund die de bevolkingen van Denemarken en Zweden met elkaar verbindt, bijvoorbeeld, is verbazingwekkend en zal een heel pak mensen gelukkig gemaakt hebben. Maar die brug is niet gebouwd om mensen gelukkig te maken. Ze werd gebouwd om meer geld te verdienen. Ook medicijnen zijn alles behalve gratis, en een burger zonder kanker is een burger die weer kan werken en geld verdienen.

De tegenstanders van de menswetenschappen en abstracte wetenschappen gebruiken de goedaardige neveneffecten van het kapitalisme als mascotte, maar het draait eigenlijk meer om geld. Je gaat naar de universiteit? Goed, maar hoeveel geld zal je verdienen in je toekomstige carrière? Zal je wel een job vinden? Dit is een vraag waar enorm veel L&W-studenten mee te maken krijgen, vaak van goedbedoelende familieleden en vrienden. Het is zeker het recht van een individu om rijkdom na te jagen. Maar moeten regeringen over de hele wereld hun burgers aanmoedigen om alleen maar dat na te jagen? Het lijkt er op, en grote delen van de maatschappij zijn maar al te gewillig om mensen via een vaag schuldgevoel van andere paden af te brengen.

Je bent waardeloos

Ik heb het woord 'schuldgevoel' gebruikt omdat deze kritiek een oud zeer raakt. In de economie van vandaag zijn de kunsten bang om spilziek over te komen. Het is waar dat filosofie en literatuur een hobby waren voor elitistische snobs die nooit moesten werken. Griekse filosofie beroemde er zich zelfs op, omdat ze toegepaste wetenschap zag als iets dat beneden haar waardigheid was. Plato ontwierp een ideale samenleving die geregeerd werd door dictatoriale filosofenkoningen, en in latere tijdperken was het studeren van kunst een typische bezigheid voor mensen die zich nooit zorgen moesten maken over een vast inkomen door echt werk. Ook astronomie was het voorrecht van de superrijken. En de vijanden van de kunsten zijn er erg goed in om dat beeld op te roepen - jongeren uit de hogere middenklasse die met veel plezier belastingsgeld verspillen om dingen te leren over boeken. Waarom kunnen ze niet iets 'echt' leren, of, met andere woorden, iets dat geldwaarde heeft?

Het feit is dat de mens- en abstracte wetenschappen geconfronteerd worden met een vraag die niet alleen een vals premisse heeft (het gaat niet om nut), maar bovendien ook één die niet eens op hen van toepassing is. Men kan ook met evenveel intellectuele oneerlijkheid vragen aan een student rechten wat die later zal bijdragen tot de cultuur waarin die leeft. Je kan ook aan een ingenieur vragen of zijn diploma hem in staat zal stellen om te gaan met een existentiële crisis.

Het is waar dat in een samenleving die zich toespitst op rijk worden, consumeren en geld uitgeven (en op die manier bijdragen tot de groeiende fortuinen van de superrijken) een kleine bibliothecaris of een werkloze filosoof geld kosten om te onderhouden. Willen filosofen, astrofysici en sociologen eigenlijk wel rijk worden? Misschien wel, als neveneffect van de dingen doen die ze graag doen. De waarde van hun job ligt echter precies in de menselijkheid van wat ze doen. Menselijkheid kan niet gemeten worden en wordt daarom uit de optelsom gehaald als een non-entiteit.

Non-entiteiten

De financiële industrie - een contradictio in terminis aangezien ze niets produceren - hebben een aantal deuken gekregen na de financiële crisis van 2008. Voordien echter, en ook grotendeels nadien, wordt een economiediploma nog steeds gezien als waardevol. Het is makkelijk je af te vragen wat een Master in de filosofie gaat doen om bij te dragen aan de samenleving. Maar hoe dragen financiële speculanten daartoe bij? Welke meerwaarde bieden zij aan het grotere goed?

Dit is het probleem met het huidige onderwijsmodel: in tegenstelling tot haar mission statement gaat het niet om jonge mensen omvormen tot verantwoordelijke volwassenen die hun burgerrechten en -verplichtingen serieus nemen, noch om hen meer tot mens te maken. Het gaat niet om deze studenten tot mensen te vormen die zullen bijdragen aan een sterke, gezonde en innoverende samenleving. Want als dat waar was, zouden regeringen en instituten meer geld uitgeven aan langetermijnonderzoeken met weinig praktische voordelen, zouden ze studenten aanmoedigen om andersheid op te zoeken via literatuur en taal, en, kort gezegd, meer de nadruk leggen op divergent, creatief nadenken, aanpassingenvermogen en individueel initiatief.

Het is precies die nieuwsgierigheid die er sommige mensen toe drijft om nieuwe ervaringen op te zoeken, en zaken te zien vanuit een ander perspectief en die samenlevingen in staat stelt om vooruitgang te boeken. Vooruitgang komt niet alleen van het vergaren van materiële rijkdom, maar omdat we nog geen manier kennen om deze voordelen te meten buiten een vage 'human development index', eist het neoliberale dogma dat we deze onkwantificeerbare aspecten gewoon helemaal dumpen.

Andersheid

In het door geld en rijkdom gedomineerde idee van hoe een maatschappij in elkaar hoort te zitten (en op veel vlakken al zo in elkaar zit) is er geen plaats voor andersheid. Vijanden van andersheid onderdrukken uiteindelijk niet alleen alles waar geen winst uit kan gemaakt worden, maar zullen door hun uitsluiting hiervan uiteindelijk ook de bron van creativiteit doen opdrogen die advocaten, dokters, economisten en ingenieurs met nieuwe principes, idealen en ongebruikelijke ideeën doet kennis maken. Door andersheid te vergrendelen en nieuwsgierigheid die slechts immateriële opbrengsten heeft te ontmoedigen, denkt men alleen op korte termijn. En het is precies dat kortetermijndenken dat de maatschappij in deze moeilijke situatie gebracht heeft.

Mensen zijn erg goed in zich vastklampen aan hun principes eens ze een keuze gemaakt hebben. Als een Middeleeuwse zieke zich slecht voelde na een bloedzuigerbehandeling, dan dachten de dokters van toen dat nog meer bloedzuigers de onzuiverheden in het bloed zouden wegfilteren. Sommige van de allerschrilste stemmen in het debat na de meest recente financiële crisis hebben gelijkaardige dingen gedaan: verre van toe te geven dat het huidige systeem een dringende nood heeft aan grondig onderzoek, beweren ze dat het systeem faalde omdat het nog niet extreem genoeg was. Dus wanneer regeringen erover denken om subsidies voor onderwijsprogramma's terug te draaien, zijn de eerste disciplines die eraan moeten geloven de talen, de kunsten, sociologie en abstracte onderzoeksprogramma's, wat nog meer mensen in studiegebieden duwt die worden geregeerd door het vigerende dogma. Het lijkt op de tweede cirkel van een vicieuze spiraal, en het begin van een konijnenhol dat we hopelijk niet helemaal tot op het einde zullen volgen.

maandag 11 april 2011

Lachen met poëzie

Poëzie wordt soms nogal lacherig onthaald, meer nog dan literatuur in het algemeen. Wat dat betreft heeft het iets gemeen met kunstvormen als ballet, conceptuele plastische kunst of opera - in de hoofden van veel mensen zijn het gekunstelde, elitaire cultuurvormen. Dat ga je niet veranderen door mensen plots te dwingen om poëzie te lezen of om naar optredens te komen. Bovendien voeden veel schrijvers dat elitaire imago zelf, door zich op een bepaalde manier te gaan marketen tegenover hun publiek. Daardoor ontstaat er een tamelijk negatief beeld dat 'de schrijver' per se een mensenhatende, intellectuele marginaal is. Sommigen vinden dat best, en het publiek begint dat na een tijd ook te verwachten.

De hoogdagen dat poëzie een breed gesmaakt kunstmedium was, zijn natuurlijk voorbij. Ik kan me ook niet meer voorstellen dat een opera nog een revolutie op gang zou brengen als in 1830, of dat boeken nog op een verboden lijst gezwierd worden omwille van hun onstichtelijke karakter. Als minder centrale kunstvormen als poëzie nog eens voor opschudding zorgen, is het omwille van het gedrag van de artiesten zelf, of omdat een kunstenaar zo ver gaat in het proberen bereiken van een schokeffect dat het iets zieligs heeft.

Omdat de kring van schrijvers in Vlaanderen en Nederland vrij eng is, en ernstige dichters zich nogal snel een onbegrepen, bedreigde diersoort voelen, is me ook vaak opgevallen hoe vrijblijvend en wederzijds sympathiek iedereen voortdurend probeert te zijn. Het is misschien een uiting van nostalgie om te verlangen naar een tijd waarin men nog sprak over poëticale opvattingen en daarover argumenteerde. De tijdsgeest is echter ook een uiting van onzekerheid over het eigen kunnen - ik ken een aantal jongere schrijvers, of mensen die die ambitie alleszins hebben, en een steeds terugkerend refrein is dat men bang is van de schaduw van al die gevestigde waarden.

Op de Nacht van de Poëzie zaten veel mensen in de Vooruit gedwee vooraan te luisteren naar een verzameling grotendeels bejaarde auteurs. Waarom die idolatrie? Waarom is er die drang om te bewijzen dat men ook een 'goed cultuurmens' is, ook onder schrijvers? Hoe vaak heb ik al niet gehoord dat een literatuurcoryfee één of andere nieuwe dichter of nieuwe stem introduceert met "persoon zo en zo plaatst zich in zulk en zulke traditie". En de nieuwe stem is blij toe. Ik zou er niet vrolijk van worden, van dat soort repressieve tolerantie.

Een kernprobleem van de Nederlandse literatuur is dat veel poëzie ook gewoon ronduit slécht is. Ik twijfel er geen seconde aan dat er zowel in Nederland als in Vlaanderen erg veel talent rondloopt. Maar door de drukkende last van een gefossiliseerd verleden, een krimpende kring literatuurliefhebbers en een algemene cultuur van vrijblijvendheid, merk ik dat er weinig geschaafd, bekritiseerd of gediscussieerd wordt. Kritiek wordt direct persoonlijk of blijft bij een boutade. Discussie is een ironische onderneming. Poëzie ruikt bedompt en stoffig, omdat ze dat grotendeels ook geworden is.

Als we toch in kapitalistische termen moeten redeneren: Vlaamse schlagerkoningen van weleer klagen graag dat het grote publiek hen niet (meer) respecteert en dat de media hen geen forum meer gunnen. Dat komt omdat ze weigeren in te zien dat ze een cultureel minderwaardig, formulaïsch product afleveren. Het is niet noodzakelijk slechter dan dat van een geprefabriceerde buitenlandse popster wiens nummers wel aanslaan, maar de schlagerkapiteins hebben nu eenmaal niet de financiële middelen om hun producten door de strot van hun consumenten te rammen.

Andere analogie. In "Buiten De Zone" werd gelachen met de minderwaardige kwaliteit van de meeste Vlaamse films die uit de periode stamden tussen de jaren '60 en de vroege jaren '90. Het laatste decennium trekken Vlaamse films echter opnieuw volle zalen, en behalve met de brave middle-of-the-roadproducties van Jan Verheyen, is het een industrie die men in Vlaanderen weer serieus kan nemen. Waarom? Een beter beleid, beter opgeleide filmmensen en vooral ook een wereld die zich er van bewust werd dat er een tandje moest bijgestoken worden om kwaliteit af te leveren.

Voor literatuur is er weinig geld. Het onderwijs verkwanselt systematisch kansen om meer te doen met literatuur dan enkele vrijblijvende leeslijsten, en van de weeromstuit is het dichterschap een mystiek instituut geworden. Deze generatie zal er niet voor zorgen dat poëzie terug een centrale, gemeenschappelijke cultuurbeleving wordt, en de vraag is of dat ooit zal gebeuren. Maar als ze er niet voor zorgt dat ze op zijn minst op tafel slaan om aandacht, professionalisme en betere kwaliteit, dan is ze nu al verloren.

zondag 26 september 2010

Naar een betere literatuur

Omdat ik nu ook niet wil bekend staan als iemand die alleen tekeer gaat met de sloophamer maar zelf voor niks positiefs staat, wil ik graag enkele voorstellen lanceren die ons zouden kunnen helpen om te komen tot een gezonder literair landschap in de Nederlanden, en vooral ook betere literatuur.

1. Ontwikkel het talent

Dit ligt zo voor de hand dat het een no-brainer zou moeten zijn. Naast opleidingen tot schilder, tekenaar, illustrator, danser of acteur is er gerust plaats voor een opleiding tot schrijver. Smaakt dat vies? Het spijt me, je hebt last van vooroordelen. Schrijven is een métier, net als gelijk welke andere kunst. Er bestaan weliswaar al cursussen rond creatief schrijven, maar een officiële opleiding kan een veel ruimer vormingskader bieden. Overigens is het niet alleen de kunst die kan profiteren van een dergelijke opleiding - voor commerciëler ingestelde mensen kan het ook een springplank zijn naar copywriting.

2. Indoctrineer onze kinderen

Ik besef dat "het onderwijs" altijd de pakezel van dienst is als er een bepaald probleem moet opgelost worden. Wat ik echter niet begrijp, is die hardnekkige en steeds sterker wordende focus op wetenschappen en wiskunde. Een persistent zeer van de arbeidsmarkt in België is dat vaardige handen uit pakweg Roemenië even goed - en aan lagere prijzen - een auto in elkaar kunnen zetten, maar ook in de kenniseconomie is de rest van de wereld aan een inhaalbeweging bezig. Ik verwijs maar naar het groeiende leger Chinese ingenieurs of Indische informatici. Talen en culturen zijn echter unieke gegevens waar mensen die er in opgegroeid zijn altijd een voordeel zullen hebben. Bovendien neemt België op dat vlak ook geopolitiek een unieke positie in. Jammer genoeg is men echter bang om lectuurlijsten "saai" of "verplichtend" te maken. Je zal misschien nooit een baksteen de geneugten van tapijt kunnen doen leren, maar laat leerlingen tenminste kennismaken met dat tapijt.

3. Erken de schrijver

Vanuit het buikgevoel klinkt een statuut voor kunstenaars als een vrijgeleide om op kosten van de staat te profiteren. Aan de andere kant kan je ook niet ontkennen dat een sterk kunstondersteunend beleid zoals in Zweden of IJsland niet alleen een hele resem indrukwekkende artiesten heeft voortgebracht, maar bovendien ook het merkimago van beide landen heeft verstevigd als creatief en eigenzinnig.

4. Eis kwaliteit

Waren de vorige drie punten zaken waar allerlei overheden en inrichtende machten bij betrokken moeten worden, is dit een zaak van schrijvers zelf. Eerder vermeldde ik dat België (of Vlaanderen, het is me gelijk) op het brandpunt ligt van verschillende culturen, en stevig verankerd zit in de geschiedenis van Europa. Maar onze literatuur blijkt niet diezelfde spankracht te hebben. Men klaagt soms dat Nederlandstalige literatuur in het buitenland een saai, kleurloos imago heeft, maar hoe komt dat? Omdat veel literatuur van bij ons saai en kleurloos is. En als ze dat niet is, dan is ze doorgaans wel erg navelstaarderig. Ik pleit kortom voor meer ambitie, meer verhalen met aanzuigkracht en spankracht, meer verbeelding en ook - vooral - beter geschreven literatuur.

5. Breek de ego's

Doordat er geen toonaangevende literaire stroming (meer) is, is elke schrijver een stroming op zich geworden. En als er één groep artiesten is die behoort tot de verwaandste mensen op de wereld, is het wel die van de schrijvers. Ik heb niet zo'n klare kijk op Nederland, maar in Vlaanderen zijn schrijvers altijd ontzettend lief voor elkaar, omdat een aanval op elkaars werk in principe ook geldt als een aanval op de persoonlijkheid. Als er al een schermutseling uitbreekt, is dat vooral omdat Nederlanders er zich mee gaan moeien. Ik mis polemiek. Ik mis discussie over wat goede literatuur nu precies is of moet zijn.

6. Begraaf de uitgevers

Het is niet dat er in de Nederlanden schandalig veel geld verdiend wordt met literatuur, en uitgeverijen zijn geen liefdadigheidsinstellingen. In het al erg kleine literaire veld zijn zij echter de reuzen, en naarmate ze slinken in aantal, groeit hun macht (doorgaans is dat trouwens een teken aan de wand van een markt die over zijn hoogtepunt is en op instorten staat). Maar kan het internet niet betekenen voor schrijvers wat het ook betekende voor erg veel muzikanten? Er zullen altijd bibliofielen zijn die graag een boek ter hand nemen, maar lezen op een scherm wordt als steeds normaler ervaren. De internetrevolutie in literatuur is zeker al goed gestart, maar kan nog harder en ingrijpender worden.

7. Verwen de lezer

Literatuur zal allicht nooit meer de maatschappelijk meest relevante kunstvorm worden - die rol wordt reeds uitstekend gespeeld door muziek en film. Maar een schrijver hoeft zich niet vast te klampen aan dat excentrieke, semi-alcoholische fratsenimago, noch aan een imago van afstandelijke en elitaire ascese. Bands drukken regelmatig hun appreciatie uit voor hun fans, of laten speciale edities van hun platen maken voor verzamelaars. Er zijn erg veel video's op internet die mensen beter leren gitaar spelen, dansen of zingen. Ik zie niet in waarom een schrijver zich op een afstand zou moeten houden.

Deze tekst is niet eindig, en niet af. Er komt een moment dat ik er nog eens naar teruggrijp om hem te polijsten, of misschien zelfs een ogenblik dat ik hem zal verwerpen. Het is action-painting in woord. En ik hoop dat hij op zijn minst reactie zal teweeg brengen, ook al is het een inwendig grimas, want onverschilligheid is uiteindelijk de dood van alles wat moet leven.

vrijdag 29 januari 2010

Overspannen snaren

Van alle artiesten moet het meest miskende type ongetwijfeld wel de schrijver zijn. Dat stinkt naar zelfbeklag en is het ook. Men zou ook kunnen denken dat ik ervan geniet uitgebreid de masochist uit te hangen en me te wentelen in een misbegrepen genie, en dat mag men gerust. Het doet geen afbreuk aan de waarheid.

De miskenning begint al op de plek waar alle miskenden met elkaar bekend zijn: op café. Elke debiel die drie akkoorden kan spelen, kan zich uitgeven als muzikant zonder dat daar vragen bij gesteld worden. Jezelf voorstellen als schrijver klinkt echter onmetelijk pretentieus, en mag je in principe alleen maar zeggen als je al ergens in de boekhandel verkrijgbaar bent. Een beeldhouwer echter, dat kan men al zijn door drolvormige mensenfiguren uit steen te kappen en met gestaalde torso te staan zwoegen boven het volgende meesterwerk, geëxposeerd of niet. En elke enthousiasteling met een coltrui kan zich probleemloos uitgeven voor fotograaf.

De achterliggende idee is waarschijnlijk dat men om muziek te spelen iets moet kunnen dat de meeste mensen niet kunnen, terwijl, tja, iedereen kan schrijven. Bovendien doet een schilder ongewone dingen, zoals urenlang met diverse penselen en verfsoorten peinzend voor een doek staan, terwijl iedereen wel al eens een tekstverwerker gebruikt heeft. Schrijven en lezen zijn ook maar weinig sociaal. Je kan hooguit op een lezing komen kijken hoe een auteur daar staat te staan in het voetlicht, en als die auteur niet stomdronken is, een baret draagt of niet het uiterlijk heeft van iemand die de diepste afvoerputten van Parijs heeft gesmaakt, dan is dat al bij al bekeken maar een saaie piet die z'n eigen huisvlijt meegebracht heeft.

Die clichévoorstellingen trekken zich zelfs door tot het onderwijs. Aan kunstinstellingen in Vlaanderen kan men vanalles volgen. Er zijn hogere opleidingen in muziek, dans, film, tekenen, schilderen, fotografie en beeldhouwen. Maar schrijven - nee, echt goed schrijven, dat kan je niet leren. Dat moet je gewoon kunnen. Waar dat onnozele platonische idee vandaan komt, weet ik niet, maar het is alleszins volledig achterhaald. En het wordt niet in het minst in stand gehouden door de benepen schrijvertjes zelf, die hun methodes doorgaans dermate mystefiëren dat het lijkt alsof je moet zitten wachten op een muze om door je vingers te kanaliseren.

En toch is taal zo belangrijk. Het is niet met zijn schilderijen dat Hitler aan de macht kwam. Bob Dylan was zonder zijn teksten nooit een icoon van een generatie geworden, en het Vrijheidsstandbeeld verklaarde zelf niet de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. Taal is overal, net als lucht. Precies daarom lijkt ze vanzelfsprekend en nauwelijks de moeite om de aandacht op te vestigen. Maar het sculpteren uit die lucht vergt moeite. Het design van die ijle, vanzelfsprekende woorden is geen willekeurig proces. Dat die designers doorgaans onaangename windbuilen zijn, zal ik zeker niet ontkennen. Maar wij hebben niet minder het recht idioten te zijn dan slechtgekapte dronkaards die een gitaar in de juiste richting kunnen vasthouden, en we verdienen niet minder respect dan iemand die jarenlang getraind heeft om vol trots een tutu en turnpantoffels te dragen. Trakteer me op café op een stevige vodka, en ik trakteer je op een knuffel.

vrijdag 2 oktober 2009

En hij zwaaide als een gek met z'n hoofd

Theater is één van de vele culturele belevingen waar ik wel genoeg over weet te vertellen om een uur of twee vol te lullen op een zondagmiddag, en tevens ook iets waar ik me voortdurend over voorneem vaker te gaan, omdat het levende, tastbare aspect ervan nog het best te vergelijken valt met naar een optreden gaan van een goeie band. Aan de andere kant ben ik geen expert, maar ik ben nog liever dood dan dat ik me ervan laat weerhouden geen mening te hebben. Ik heb al goed theater gezien, matig theater en vooral ook veel slecht theater. Goed bedoelende amateurgezelschappen met gepensioneerde hobby-acteurs daar gelaten, vind ik dan ook dat ik de plicht heb kritisch te zijn, en het niet automatisch goed te vinden als ik al eens moet lachen om een spitsvondige trouvaille of een doorleefde monoloog.

Ik ben niet één van die mensen die staat te roepen dat theater terug volkser moet worden (om dan vervolgens toch nooit te gaan kijken), maar wat ik gisteren zag, was een parade aan alle slechte clichés over postmodern toneel voor een intellectueel publiek. Het stuk heette “Blasted” en werd opgevoerd in de Tinnen Pot in Gent. Kort samengevat speelt het zich af in een hotelkamer in Leeds, waarbij de eerste twee bedrijven draaien om een uitgerangeerde, hatelijke riooljournalist die krampachtig terug probeert aan te knopen met een oude – maar tegelijk heel jonge – minnares die niet zo sterk in haar schoenen staat. In de twee laatste bedrijven houden soldaten de stad bezet, en is het de journalist die in het defensief gedwongen wordt tegenover een getraumatiseerd, zo mogelijk nog beestachtiger figuur dan dat hij zelf is. Positieve aspecten – minimaal decor, goed overzicht, begeleiding op de harp (en tevens de eerste harpiste die ik ooit zag er niet uitzag alsof ze zichzelf kon overgieten met kerosine in religieuze extase), de symboolwaarde van rozen, en best sterke cast. Negatieve aspecten – nou ja, heel wat.

Het eerste wat me opviel, en wat in mijn ogen onmiddellijk een waarmerk is van slecht theater, is dat er heel wat in schuimbekkende paroxysmes af geroepen werd. Ik begrijp dat acteurs hun emotionele spankracht graag breed uitmeten, maar iemand die zich geloofwaardig boos maakt over geloofwaardige zaken, zal toch een pak meer empathie oproepen. Ten tweede was er ook het moment waarop uitgebeeld wordt dat de soldaten Leeds vernielen. Zeker tien minuten lang zat de zaal lethargisch toe te kijken hoe drie uitzinnig krijsende acteurs stoelen, borden, schilderijen en tafels aan stukken sloegen op en naast het podium, zonder dat dat ook maar iets toevoegde aan het geheel. Dat het therapeutisch en artistiek bevrijdend was om meubels uit de Kringloopwinkel kapot te slaan, kan ik begrijpen, maar dat lijkt me meer iets voor een workshop bij een ex-buitenwipper die nu anger management coach is, dan dat dat interessant theater oplevert. En dan was er ook nog dat bloot. Ik denk niet dat iemand me een zinnig antwoord kon geven op de vraag waarom ik zo vaak de onthaarde balzak moest zien van de hoofdacteur, en later ook een inkijk kreeg in de innerlijke mens van de hoofdactrice. Dat het stuk seksueel geladen is, wil ik best in mee gaan, maar de meerwaarde van een op en neer dansende fluit, zie ik niet in. Aangezien het stuk toch al vooral dreef op de kracht van suggesties, gaf zulk een exhibitionisme eerder de indruk doelbewust enkele huismoeders te willen choqueren, dan dat ik er uitzinnig van werd om zoveel provocatief iconoclasme.

Er waren nog enkele zaken die het een ervaring in mineur maakten. Hoewel de personages zich op voorhand uitgebreid introduceerden (de vierde muur werd weer gesloopt alsof het 1930 was), was het vaak erg onduidelijk wat het verhaal was, omdat de barokke bewegingen van de personages soms hun woorden overstemden, of omdat er lawaai was op de scène. Bovendien leek het laatste bedrijf, dat een bijzonder bitter einde toont voor de journalist, nu eens niet schokkend genoeg. Volgens het originele script eet de journalist een dode baby op nadat hij door een soldaat verkracht en blind gemaakt is, maar de suggestie van dat kannibalisme is erg flauwtjes, en de manier waarop hij vervolgens zichzelf begraaft in een gat in de grond was ronduit knullig. Dat balanceren op de slappe koord tussen humor en ernst kenmerkte trouwens het hele stuk. Het is aartsmoeilijk tragedie en komedie goed te verenigen, en ook in dit mengvat wilde het niet echt lukken. De humor was te geforceerd, en door het bizarre gedrag van de personages was er weinig ruimte voor inlevingsvermogen dat had kunnen zorgen voor een intens meevoelen met de traumatische gebeurtenissen die uitgebeeld werden. Jammer voor de acteurs, die er erg intens in op gingen en duidelijk getalenteerd waren, en ook erg spijtig dat het dit soort producties zijn die bijdragen tot het wereldvreemde, overroepen imago van theater.

dinsdag 28 juli 2009

Zo zwart als de ruimte zelf

Omdat ik ondanks al mijn cynisme en bitterheid een mens ben die oprecht van andere mensen houdt en omdat ik heel wat eigenaardige exemplaren van dat mensenras in mijn vriendenkring tel, belandde ik verleden weekend op het Gothic Festival in Waregem. De gemiddelde man in de straat heeft daarbij waarschijnlijk een beeld van volledig in het zwart gehesen, levensmoeë mensen met bleke gezichten en donkere make-up, of denkt spontaan aan moorddadige zotten die het liefst de wereld zouden zien ontploffen. Van moordzucht noch levensmoeheid heb ik in mijn toeristisch weekend bij de goths veel gemerkt - van universele dronkenschap en zwarte vampierenhemden des te meer.

Het evenement vond plaats in de expo van Waregem (goths bij daglicht zou zo'n beetje zijn als een bende rasta's in een kraaknette bestuurszaal van een multinational), wat onmiddellijk ook een helse hitte met zich meebracht, die alleen maar kon goedgemaakt worden door veel, veel te drinken en die verdomde lange lederen jassen achter te laten aan de inkom. Hoewel het festival de onelegante naam "Gothic" meedroeg, was het geen parade aan deprimerende muziek met kelderstemmen en galmende gitaren. Er was oude new wave, agressieve ebm, future pop, gothic rock en alles daartussenin.

Hoewel ik niet onbeslagen en zonder voorstudie het terrein betrad - op een blauwe maandag heb ik me ooit wel eens een aantal ebm-cd's gebrand - werd ik toch aangenaam verrast door enkele oude rotten. De afsluiter van de driedaagse zegetocht van de Belgische zwartzakkerij was de vrij bekende jaren '80 waver Gary Numan. Gary zag er niet bepaald patent meer uit, maar zijn muziek was dat des te meer. Zijn combinatie tussen melodisch en hard, hooggestemde synths en zijn breekbare, gevoelige stem was zelfs op het uur dat de meeste festivalgangers al vermoeid waren, onbetwistbaar een moment dat iedereen die een hart had, het een beetje harder voelde kloppen en vooral bloeden. Verder was er ook opgepompt, adrenaline-inducerend gebonk van ebm-peetvaders The Klinik, en het sterk radicaal-politiek bewogen plezier van het ironische DAF.

Intussen werd ik af en toe op de hoogte gesteld van hoe het er backstage en onder de medewerkers aan toeging via mijn inside woman S, die tevens de hoofdaanleiding vormde van mijn bezoek. Dat goths geen fundamenteel andere mensen zijn die bloed drinken of naakt in covens zitten was duidelijk door de verhalen die ik hoorde over snoeverige artiesten, wildpoepende medewerkers, boze managers en licht mentaal gehandicapte roadies. Het zou nog verdomd goeie reality tv opleveren.

Dan weer terug naar de muziek. In het rockgenre zat ondermeer The Birthday Massacre, een vrij gepolijste groep die graag dweept met het foute. De frontvrouw was een kinky kindvrouwtje dat op onschuldige wijze graag moord en verkeerd afgelopen sprookjes bezong, terwijl de rest van de band vrolijk over het podium huppelde. Lacrimas Profundere was het dan weer bittere ernst, maar een bom van een optreden werd het nu ook niet.

Op elektronicavlak vielen er interessantere dingen te beleven. Bekend noisecombo Winterkälte was snoeihard en vooral ook enorm luid, maar bracht naast onherstelbare gehoorschade voor de ongeveer vijftig fans die opgedaagd waren ook een evenzeer compromisloos dansfeest. Een dikke fuck off aan alle gabbers en jumpers. Dit was hevig spul. In het harde assortiment zaten ook de geschifte Mexicanen van de groep Hocico met stomende dark electro. Bij het bisnummer krijste de frontman "you want some fucking more?". Hell yeah. Ik verloor zeker drie kilo aan zweet alleen al.

Dat alles wat onder de noemer goth valt een grote industrie is, viel ook de merken aan de uitgebreide markt met t-shirts, accessoires, cd's, platen en andere parafernalia. Iemand met veel geld kon er zich voor enkele honderden euro's een authentiek lederen korset laten aanmeten, of kleren met lichtgevende elementen die recht uit een toekomstbeeld van de jaren '90 leken te komen. De door andere goths vaak terecht gehekelde cybergoths leken dan ook zo weggelopen vanop een rave uit die periode, en herbergden ook de meest extreme exemplaren, waaronder travestieten, mannen in lederen rokken en vrouwen met haar in zuivere RGB-kleuren. Jammer genoeg zijn het ook meestal die mensen die de kranten halen en weldenkende ouders ervan overtuigen dat zwartzakken per definitie een hoop rare seksuele devianten zijn.

De Noorse band Apoptygma Berzerk, die reeds enig succes genoot in vrolijker trancemiddens, was met een hele bandbezetting naar Waregem afgereisd, en de fans brulden de optimistische elektronica mee van begin tot eind. Een optreden waar een mens op een melancholische manier vrolijk van werd, zelfs met de lichte stadionrockallures van de groep. In dezelfde eerder vrolijke categorie troffen we ook de Duitsers van Welle:Erdball aan, die met een nostalgisch uitgekiende choreografie de wonderen bezongen van jaren-'80-technologie zoals de Commodore 64 en de Super8. De op hevige beats gezette teksten met Super Nintendo-achtige melodielijnen werden alleen een halt toegeroepen door de backstage, die vond dat het optreden wel lang genoeg geduurd had, en zonder pardon de stekker uittrok. Al dan niet bedoeld komisch was ook het optreden van de Britse Scary Bitches, die een kruising leken tussen Lordi en Absolutely Fabulous.

De grens met het echt gênante werd overgestoken door BlutEngel, dat ogenschijnlijk de bedoeling had zoveel mogelijk gothic-clichés samen te brengen als mogelijk. Engelse teksten met een zwaar Duits accent over vampieren, huilende meisjes, onbegrepen zielen en donkere engelen werden op quizmaster-achtige wijze ten berde gebracht door frontman Chris Pohl, op een achtergrond van plastieken schedels, lantaarns en een pyrotechnische show van danseressen die duidelijk gekozen waren op bleekheid van huid en droefnis van blik. Alleen bier slaagde erin de gêne weg te spoelen.

Laatste vermeldenswaardige band was het Belgische Hedera Helix, die met veel moed in het Nederlands zongen. De mindere verwachtingen ten spijt werd het echter een zeer aangename kennismaking. De frontman leek meer op een jazzcabaratier dan een volksmennende zanger, en gedroeg zich alsof hij elk moment met veel panache poëzie kon gaan voorlezen. Ze lieten er zich dan ook graag op voorgaan "intellectro" te maken, en voorwaar, het was niet eens pompeus.

Buiten het feit dat ik de eerste dag van mijn tweedaags bezoek bruine schoenen droeg, was het enige probleem dat ik achteraf de muziek niet meer uit mijn hoofd kreeg. Het was aangenaam vertoeven onder de gevlederden, maar ik verlangde toch evenzeer terug naar mijn eigen wereld waarin de zon scheen en ik me op YouTube weer kon laten masseren door mijn vertrouwde ambient en oude popmuziek.